Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1187

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
09-836 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 35%. Deugdelijke medische grondslag. Ondanks dat er geen organisch substraat is gevonden voor de klachten van appellant hebben de verzekeringsartsen in verband met persisterende pijnklachten aan de linker lichaamshelft beperkingen aangenomen. Geduide functies in medisch opzicht geschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/836 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 januari 2009, 08/5017

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2010. Appellant is in persoon verschenen bijgestaan door M.P. de Witte, advocaat, en appellants zoon [naam zoon] Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is werkzaam geweest als medewerker tuinbouw in een rozenkwekerij. Hij is op 22 september 2005 uitgevallen voor deze werkzaamheden in verband met rugklachten na een bedrijfsongeval.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 5 september 2007 vastgesteld dat voor appellant ingaande 20 september 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 35%. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellant in verband met een contusio van de musculatuur van de romp en de schouderpartij links lichte tot matige beperkingen heeft ten aanzien van rugbelastende arbeid en ongeschikt is te achten voor de maatmanfunctie. Wel kan appellant een viertal voor hem geschikt geachte functies verrichten. Het verlies aan verdiencapaciteit is berekend op 11,38%.

2. Bij besluit van 3 juli 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 september 2007 ongegrond verklaard. In de bezwaarprocedure hebben zowel een bezwaarverzekeringsarts als een bezwaararbeidsdeskundige gerapporteerd. Bezwaararbeidsdeskundige J.G.W. de Wit heeft twee van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet langer gehandhaafd. Het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) is daarop door hem opnieuw geraadpleegd. De Wit stelde vast dat er voldoende voor appellant geschikte functies kunnen worden geselecteerd. Hij heeft het verlies aan verdiencapaciteit, na correctie van het maatmanloon, berekend op 22,98%.

3.1. Appellant heeft in beroep onder toezending van rapporten van medisch adviseur A. Krul-van Turenhout, re-integratiebedrijf Agens, en van revalidatiearts H. Osamulia betoogd zwaarder beperkt te zijn dan is vastgesteld door het Uwv. Vanwege pijnklachten acht appellant zich in staat maximaal vier uur per dag arbeid te verrichten.

3.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft over de medische grondslag van het bestreden besluit overwogen dat deze deugdelijk en juist is. Uit de in beroep door appellant in geding gebrachte medische stukken blijkt naar haar oordeel niet dat appellant zwaarder beperkt is te achten dan is vastgesteld door het Uwv. De rechtbank heeft geen reden gezien om een onafhankelijke deskundige te raadplegen. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat genoegzaam is toegelicht dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

4. In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep aangevoerde grieven herhaald. Appellant heeft gesteld dat zijn pijnklachten door de behandelend sector als bestaand en reëel worden opgevat en dat het feit dat geen organisch substraat is gevonden voor die klachten er niet aan in de weg staat om beperkingen aan te nemen. Appellant betwist de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat er geen objectieve grond is voor een medische urenbeperking. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet geschikt acht.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad is evenals de rechtbank en op grond van de door haar in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen van oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Ondanks dat er geen organisch substraat is gevonden voor de klachten van appellant hebben de verzekeringsartsen in verband met persisterende pijnklachten aan de linker lichaamshelft beperkingen aangenomen. De Raad stelt vast dat appellant in hoger beroep geen medische gegevens heeft ingebracht die steun verlenen aan de opvatting van appellant dat zijn beperkingen door het Uwv niet juist zijn vastgesteld en dat er een grond is voor een medische urenbeperking. Bezwaarverzekeringsarts A. Mirza heeft naar het oordeel van de Raad bij rapport van 26 maart 2008 een deugdelijke motivering verstrekt voor het ontbreken van een noodzaak tot het stellen van een medische urenbeperking. De Raad ziet geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

5.2. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. De onderbouwing hiervoor vindt de Raad terug in het rapport van bezwaararbeidskundige De Wit van 6 mei 2008. Hierin wordt een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de bij de geselecteerde functies aangebrachte signaleringen.

5.3. Uit hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en M.C.M. van Laar als leden in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) T.J. van der Torn.

CVG