Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1136

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
14-04-2010
Zaaknummer
09-1482 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de Raad wijst het er op dat appellant ten tijde van zijn ontslag door [werkgever A] weinig of geen inzicht had in zijn gedrag en dat hij in ieder geval niet in staat was om zijn gedrag zodanig aan te passen dat hij voldeed aan de door [werkgever A] gestelde eisen. In deze situatie kon appellant naar het oordeel van de Raad van zijn op zichzelf onaanvaardbare gedrag jegens [werkgever A] geen verwijt worden gemaakt. Dit brengt met zich dat niet kan worden gezegd dat appellant zich ten opzichte van [werkgever A] verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Van verwijtbare werkloosheid is daarom geen sprake. Geen grondslag voor het opleggen van een maatregel. Vernietiging uitspraak. Nieuw besluit op bezwaar.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1482 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 januari 2009, 08/2382

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 april 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M. Bruin, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bruin voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.F. de Roy van Zuydewijn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 8 januari 2004 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor een periode van 12 maanden in dienst getreden bij [Naam werkgever A] (hierna: [werkgever A]). Op 7 september 2004 is appellant op staande voet ontslagen. Met ingang van 25 oktober 2004 is appellant voor de duur van een jaar in dienst getreden van [naam werkgever B]. Uit deze dienstbetrekking is appellant op

14 december 2004 in de proeftijd ontslagen. Appellant heeft met ingang van 16 december 2004 een uitkering ingevolge de WW aangevraagd.

1.2. Bij besluit van 1 november 2005 heeft het Uwv de gevraagde uitkering met ingang van 16 december 2004 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid als gevolg van het ontslag op staande voet door [werkgever A]. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit bij beslissing op bezwaar van 11 januari 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen deze beslissing op bezwaar bij uitspraak van 14 december 2007 gegrond verklaard en zij heeft dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant zich schuldig gemaakt aan gedragingen waarvan redelijkerwijs is te begrijpen dat zij de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zouden kunnen hebben, maar vormde de medische informatie over appellant, dat hij lijdt aan een schizoïde persoonlijkheidsstoornis, een serieuze aanwijzing om aan te nemen dat appellant geen verwijt kon worden gemaakt van zijn gedrag bij [werkgever A]. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen nader te onderzoeken of appellant destijds de gevolgen van zijn handelen kon overzien.

1.3. Het Uwv heeft de bezwaarverzekeringsarts gevraagd om een oordeel over de vraag of appellant in 2004 in staat was om de gevolgen van zijn handelen te overzien. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant in dat kader opgeroepen om op haar spreekuur te verschijnen, maar appellant heeft aan die oproepen, waarvan de tweede, aangetekend verzonden oproep is teruggekomen omdat de brief niet was afgehaald van het postkantoor, geen gevolg gegeven. Op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts heeft een bezwaararbeidsdeskundige informatie ingewonnen bij werkgevers van appellant. Op basis van de aldus verkregen informatie, gevoegd bij informatie van de huisarts van appellant en van behandelaars van de Symfora Groep en bij algemene informatie over de schizoïde persoonlijkheidsstoornis, heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de persoonlijkheid van appellant op de datum in geding het overzien van de gevolgen van zijn handelingen in de weg stond. De bezwaarverzekeringsarts heeft dit gemotiveerd met een verwijzing naar het arbeids-verleden van appellant, waarin hij zich langerdurend heeft kunnen handhaven in een werksituatie en naar het gegeven dat de behandelende sector eerst in november 2004 weer contact heeft gehad met appellant. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is sprake van een deraillement als gevolg van een aantal sociaal belastende gebeurtenissen, welke in september 2004 minder omvangrijk waren. De bezwaarverzekeringsarts heeft haar bevindingen neergelegd in een rapportage van 28 maart 2008. Op basis daarvan heeft het Uwv bij besluit van 5 mei 2008 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 november 2005 wederom ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv voor risico van appellant gebracht dat geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat niet meer in geschil is dat voldoende is komen vast te staan dat de gebeurtenissen van appellant, zoals verwoord in de ontslagbrief van [werkgever A] van 7 september 2004, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. De rechtbank oordeelde verder dat het Uwv zich op het standpunt mocht stellen dat niet is komen vast te staan dat appellant vanwege zijn schizoïde stoornis geen verwijt kon worden gemaakt met betrekking tot de gedragingen die hebben geleid tot zijn ontslag op 7 september 2004.

3. Appellant heeft zijn hoger beroep beperkt tot de vraag of het gedrag dat tot zijn ontslag heeft geleid verwijtbaar gedrag jegens de werkgever opleverde. Hij meent dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord, gelet op zijn medische situatie.

4. Ten aanzien van de voorliggende vraag overweegt de Raad als volgt.

4.1. Het geschil dient te worden beoordeeld aan de hand van de WW, zoals die gold tot

1 oktober 2006.

4.2. In dit geval is aan de orde de situatie dat een werknemer werkloos is geworden uit een dienstbetrekking die niet zo lang heeft geduurd dat de werknemer uitsluitend aan die dienstbetrekking een recht op een WW-uitkering kan ontlenen. Uit vaste jurisprudentie van de Raad volgt dat in een dergelijke situatie, ter beantwoording van de vraag of de werknemer de werkloosheid kan worden verweten, mede de omstandigheden in aanmerking kunnen worden genomen waaronder de voorafgaande dienstbetrekking is beëindigd.

4.3. In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW (oud) is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen, dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. In artikel 27, eerste lid, van de WW (oud) is bepaald dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering blijvend geheel weigert indien de werknemer een verplichting, hem op grond van onder meer artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, opgelegd, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

4.4. Naar het oordeel van de Raad is het antwoord op de vraag of appellant in 2004 in staat was om de gevolgen van zijn handelen te overzien niet toereikend voor het antwoord op de vraag of appellant een verwijt kon worden gemaakt van zijn op zichzelf onaanvaardbare gedrag bij [werkgever A]. Daarvoor is tevens van belang of appellant in staat was om zich te gedragen volgens de bij [werkgever A] geldende voorschriften, inzicht had in zijn gedrag en of het in zijn vermogen lag om zijn gedrag te veranderen.

4.5. Het gedrag dat tot het ontslag van appellant heeft geleid kan worden samengevat als onvoldoende functioneren door te weinig productie, ongeoorloofde afwezigheid, het weigeren van dienstopdrachten, eigengereid optreden en gebrekkige contactuele eigenschappen. Aan het ontslag door [naam werkgever B] lag ten grondslag dat appellant zich niet conformeerde aan de bedrijfsregels. Uit het eerdergenoemde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 4 maart 2008 blijkt dat andere werkgevers soortgelijke ervaringen hadden met appellant. De heer [naam V.] van [naam Bedrijf], waar appellant werkzaam is geweest voordat hij in dienst trad bij [werkgever A], heeft appellant omschreven als een typische man met soms een nare manier van optreden naar klanten toe. Volgens [naam V.] was appellant niet helemaal in orde, reageerde hij, indien hij op bepaalde zaken werd aangesproken, vreemd en eigenwijs en kon hij met appellant geen contact te krijgen. De heer [naam X] van [Bedrijf B.V.], waar appellant van 12 december 2005 tot 11 februari 2006 heeft gewerkt, heeft tegenover de bezwaararbeidsdeskundige verklaard dat appellant door hem in de proeftijd is ontslagen omdat hij niet in het team paste. Ook kreeg het bedrijf klachten van klanten over het gedrag van appellant. Het klikte niet tussen appellant en de andere personeelsleden en de directie. De werkgever kon niet tot appellant doordringen en had de indruk dat appellant niet anders kon.

4.6. Het uit deze verklaringen naar voren komende gedrag van appellant komt overeen met hetgeen diens huisarts en behandelaars van de Symfora Groep bij herhaling hebben verklaard en met de algemene informatie over de schizoïde persoonlijkheidsstoornis die de bezwaarverzekeringsarts heeft gevoegd bij haar rapportage van 28 maart 2008. Hierin is onder meer aangegeven dat schizoïde persoonlijkheden weinig sociaal zijn, meestal alleen wonen en een baan hebben waarin zij weinig met anderen te maken hebben. Het valt niet mee om contact met hen te krijgen. Zij zijn nauwelijks geïnteresseerd in de mening van een ander en luisteren daarom vaak heel slecht. Schizoïde persoonlijkheden hebben vaak een totaal gebrek aan invoelingsvermogen en houden daardoor geen rekening met de gevoelens van een ander. Ze lijken ongevoelig voor kritiek en complimentjes; het is voor hen onbelangrijk wat een ander van hen vindt. De huisarts van appellant heeft verklaard dat appellant in 2004 niet in staat was de gevolgen van zijn daden te overzien en dat appellant als gevolg van zijn persoonlijkheidsstoornis grote problemen heeft in het maatschappelijk functioneren, in zelfinzicht en het overzien van consequenties van eigen daden. De behandelaars van de Symfora Groep hebben verklaard dat mensen met het ziektebeeld van appellant op allerlei levensterreinen vastlopen en over het algemeen niet in staat zijn hun problemen realistisch te overzien dan wel deze adequaat op te lossen. Huns inziens geldt dit ook voor appellant. Het is de begeleidster van de Symfora Groep niet gelukt om naar aanleiding van de oproep van de bezwaar-verzekeringsarts voor een onderzoek contact te krijgen met appellant.

4.7. De Raad leidt uit het vorenstaande af dat niet uit te sluiten is dat het niet afhalen van de aangetekende brief van de bezwaarverzekeringsarts en het niet verschijnen op haar spreekuur door appellant veeleer is gelegen in onvermogen van appellant als gevolg van de bovenomschreven persoonlijkheidsstoornis dan in onwil om mee te werken aan het onderzoek. Gelet hierop heeft het Uwv het niet verschijnen op het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte zonder meer voor risico van appellant gebracht.

4.8. De voorhanden zijnde informatie wijst er naar het oordeel van de Raad op dat appellant ten tijde van zijn ontslag door [werkgever A] weinig of geen inzicht had in zijn gedrag en dat hij in ieder geval niet in staat was om zijn gedrag zodanig aan te passen dat hij voldeed aan de door [werkgever A] gestelde eisen. In deze situatie kon appellant naar het oordeel van de Raad van zijn op zichzelf onaanvaardbare gedrag jegens [werkgever A] geen verwijt worden gemaakt. Dit brengt met zich dat niet kan worden gezegd dat appellant zich ten opzichte van [werkgever A] verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Van verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW (oud) is daarom geen sprake.

4.9. Hieruit volgt dat geen grondslag bestond voor het opleggen van de getroffen maatregel. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit wegens strijd met de wet vernietigen en het Uwv opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

5. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep (in totaal op

€ 1.288,--).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellant beslist met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 146,--

(€ 39,-- + € 107,--) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en K.J. Kraan en

B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2010.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) I. Mos.

BvW/14