Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0861

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
13-04-2010
Zaaknummer
09-2771 WWB + 09-2772 WWB + 09-2775 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing drie aanvragen bijstandsuitkering, op de grond dat niet gebleken is van een wijziging in de omstandigheden ten opzichte van de eerdere intrekking van bijstand (die in rechte onaantastbaar is) op grond waarvan appellant nu wel voor bijstand in aanmerking zou kunnen komen. Beoordelingsperiode. Toetsingskader.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Wet werk en bijstand 43
Wet werk en bijstand 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 114
RSV 2010/147
AB 2010/223 met annotatie van R. Stijnen
USZ 2010/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2771 WWB

09/2772 WWB

09/2775 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 april 2009, 07/6408, 08/534 en 08/3640 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Moordrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeentelijke herindeling treedt in dit geding het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidplas in de plaats van het College van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Moordrecht. In deze uitspraak wordt onder het College tevens verstaan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidplas.

Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat te Gouda, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met reg.nr. 09/2764, 09/2766, 09/2767 en 09/2768, plaatsgevonden op 9 februari 2010, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel en M.H.M. Elayachi als tolk en waar het College zich heeft laten vertegenwoordigen door H.A.G. Schippers, werkzaam bij de gemeente Zuidplas. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving tot 1 juni 2006 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Deze bijstand werd bij besluit van 27 september 2006 met ingang van 1 juni 2006 ingetrokken omdat uit een onderzoek gebleken was dat appellant zich bezighield met autohandel. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 juli 2006.

1.2. Appellant heeft op 2 oktober 2006 een aanvraag om algemene bijstand met ingang van 1 juni 2006 ingediend. Bij besluit van 18 december 2006 heeft het College deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 2 augustus 2007 heeft het College het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard op de grond dat niet gebleken is van een wijziging in de omstandigheden ten opzichte van de eerdere intrekking van bijstand op grond waarvan appellant nu wel voor bijstand in aanmerking zou kunnen komen. Appellant heeft vervolgens beroep ingesteld, bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 07/6408.

1.3. Op 4 april 2007 heeft appellant opnieuw een aanvraag om algemene bijstand met ingang van 1 juni 2006 ingediend. Bij besluit van 24 mei 2007 heeft het College deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 17 december 2007 heeft het College het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard op de grond dat wederom niet is gebleken van een wijziging van omstandigheden. Appellant heeft vervolgens beroep ingesteld, bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 08/534.

1.4. Op 6 september 2007 heeft appellant wederom een aanvraag om algemene bijstand met ingang van 1 juni 2006 ingediend. Bij besluit van 26 oktober 2007 heeft het College deze aanvraag onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bij zijn aanvraag heeft vermeld. Bij besluit van 7 april 2008 heeft het College het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft vervolgens beroep ingesteld, bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 08/3640.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen met de nummers 07/6408, 08/534 en 08/3640 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat bij alle drie de aanvragen niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is, anders dan het College, van oordeel dat appellant wél ontvankelijk is in zijn hoger beroep. De Raad overweegt hiertoe dat in het - als pro forma aangeduide - hoger beroepschrift van 19 mei 2009 wordt onderbouwd waarom appellant het niet eens is met de aangevallen uitspraak en dat deze onderbouwing betrekking heeft op alle drie de afgewezen aanvragen. Daarmee heeft appellant voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb, waarin is gesteld dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten.

4.2. De Raad stelt allereerst vast dat hij heden uitspraak heeft gedaan in het hoger beroep met registratienummer 09/2764, met welke uitspraak het besluit van 27 september 2006 tot intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 1 juni 2006, in rechte onaantastbaar is geworden.

4.3.1. Appellant heeft betoogd dat de rechtbank de drie aanvragen ten onrechte alleen heeft aangemerkt als zijnde een verzoek om terug te komen op het besluit van 27 september 2006. Volgens appellant heeft de rechtbank daarmee miskend dat in de aanvragen ook een verzoek om periodieke bijstand vanaf de datum van de aanvraag is begrepen.

4.3.2. Deze grond treft doel. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de door de rechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om algemene bijstand in beginsel de periode vanaf de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd tot en met de datum van het primaire besluit. Door in alle drie de procedures ten onrechte, en in strijd met de hiervoor genoemde vaste rechtspraak van de Raad inzake de beoordelingsperiode bij een bijstandsaanvraag, uitsluitend de vraag te beantwoorden of appellant bij zijn aanvragen om bijstand met ingang van 1 juni 2006 nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd, heeft de rechtbank een te beperkte toetsing uitgevoerd. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal vervolgens, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen de besluiten van 2 augustus 2007, 17 december 2007 en 7 april 2008 beoordelen.

4.4. Appellant heeft op 2 oktober 2006, 4 april 2007 en 6 september 2007 bijstand aangevraagd met als ingangsdatum 1 juni 2006. De Raad ziet aanleiding bij iedere te bespreken aanvraag onderscheid te maken in drie periodes, gelet op het verschil in toetsingskader bij die te onderscheiden periodes. De Raad zal hier eerst ingaan op welke periodes van elkaar kunnen worden onderscheiden en welk toetsingskader daarbij hoort. Daarna zal de Raad aan de hand van deze uitgangspunten iedere aanvraag afzonderlijk bespreken.

De eerste periode heeft betrekking op een periode waarover reeds besluitvorming heeft plaatsgevonden. In een dergelijk geval ligt het op de weg van de aanvrager nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb aan te voeren op grond waarvan er voor het bestuursorgaan aanleiding moet zijn op zijn eerdere besluitvorming terug te komen. Wanneer een dergelijk verzoek om terug te komen op een eerder genomen besluit wordt gedaan hangende de termijn waarbinnen bezwaar kan worden gemaakt, dan zal dat verzoek doorgaans als bezwaarschrift moeten worden aangemerkt. De volgende periode betreft de periode waarover nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden, maar die ligt voor de datum van aanvraag/melding CWI. Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB wordt over deze periode in beginsel geen bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. De laatste periode ziet op de datum van aanvraag/melding CWI tot en met de datum van het primaire besluit. Hiervoor geldt volgens vaste rechtspraak van de Raad dat na intrekking van een periodieke bijstandsuitkering of afwijzing van een eerdere aanvraag om periodieke bijstand het op de weg van de aanvrager ligt om aannemelijk te maken dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

4.5.1. De Raad overweegt ten aanzien van de aanvraag van 2 oktober 2006 het volgende.

4.5.2. Bij deze aanvraag strekt de beoordelingsperiode zich uit van 2 oktober 2006 tot en met 18 december 2006. De Raad acht het in het licht van het onder 4.4 overwogene aangewezen hierbij een onderscheid te maken tussen de periode van 1 juni 2006 tot en met 27 september 2006, van 28 september 2006 tot en met 1 oktober 2006 en van 2 oktober 2006 tot en met 18 december 2006.

4.5.3. Voor wat betreft de periode van 1 juni 2006 tot en met 27 september 2006 overweegt de Raad het volgende. De Raad stelt vast dat ten tijde van de aanvraag van 2 oktober 2006 de bezwaartermijn tegen het besluit van 27 september 2006 nog niet was verstreken. Volgens appellant hoort de beoordeling van deze periode thuis bij de beoordeling van het bezwaar en beroep tegen het besluit van 27 september 2006. De Raad onderschrijft dit standpunt. Deze periode zal derhalve inhoudelijk aan de orde komen in procedure 09/2764, in welke procedure de Raad zoals hiervoor is vermeld heden afzonderlijk uitspraak heeft gedaan.

4.5.4. Ten aanzien van de periode van 28 september 2006 tot en met 1 oktober 2006, waarbij het gaat om bijstand met terugwerkende kracht, is de Raad is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

4.5.5. Ten aanzien van de periode van 2 oktober 2006 tot en met 18 december 2006 gaat het erom dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat - in dit geval - met ingang van 2 oktober 2006 wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. De Raad is met het College van oordeel dat van zodanige wijziging in de omstandigheden niet is gebleken. Appellant heeft ontkend enige vorm van handel in auto’s te bedrijven. Het College heeft daarop een onderzoek verricht, waarbij drie autobedrijven zijn bezocht waar appellant bekend was als autohandelaar. Tijdens dit bezoek hebben de (mede)eigenaren verklaard meerdere auto’s aan appellant te hebben verkocht en dat appellant heeft bemiddeld bij de aan- en verkoop van auto’s. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 december 2006. De Raad is van oordeel dat op basis van deze bevindingen er niet van kan worden uitgegaan dat appellant zich ten tijde hier van belang niet meer met autohandel bezighield.

4.5.6. Uit hetgeen onder 4.5.3 tot en met 4.5.5 is overwogen volgt dat het College de aanvraag van 2 oktober 2006 terecht heeft afgewezen en dat het beroep van appellant tegen het besluit van 2 augustus 2007 ongegrond dient te worden verklaard.

4.6. De Raad overweegt ten aanzien van de aanvraag van 4 april 2007 het volgende.

4.6.1. De Raad stelt vast dat de beoordelingsperiode naar aanleiding van deze aanvraag de periode van 1 juni 2006 tot en met 24 mei 2007 bestrijkt. De Raad acht het in het licht van het onder 4.4 overwogene aangewezen hierbij een onderscheid te maken tussen de periode van 1 juni 2006 tot en met 18 december 2006, van 19 december 2006 tot en met 3 april 2007 en van 4 april 2007 tot en met 24 mei 2007.

4.6.2. Voor wat betreft de periode van 1 juni 2006 tot en met 18 december 2006 dient de aanvraag van appellant te worden aangemerkt als een verzoek aan het College om terug te komen van zijn eerdere besluiten tot intrekking en afwijzing van bijstand. De Raad is van oordeel dat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb op grond waarvan het College aanleiding had moeten zien om op (één van) de eerdere besluiten terug te komen.

4.6.3. Voor de periode van 19 december 2006 tot en met 3 april 2007 gaat het om een aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht, waarbij er sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden die de terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen. De Raad is van oordeel dat van zodanige omstandigheden niet is gebleken.

4.6.4. Ten aanzien van de periode van 4 april 2007 tot en met 24 mei 2007 is van belang dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat appellant over deze periode - anders dan voorheen - wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Volgens het College heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn activiteiten inzake de autohandel heeft beëindigd. Appellant is van mening dat het College zijn standpunt ten onrechte op oude, achterhaalde gegevens baseert. Hij heeft steeds verklaard al lang geen autohandel meer te voeren. Er staan nog slechts twee auto’s op zijn naam en de naam van zijn vrouw. Verder blijkt uit door hem overgelegde facturen inzake de huur van het bedrijventerrein bij garage [W.] dat dit terrein door zijn broer wordt gehuurd, omdat op de factuur de voorletter H. wordt vermeld. Ook blijkt uit een dreigende woningontruiming dat hij in een armlastige situatie is komen te verkeren en geen inkomen uit autohandel heeft. De Raad is met het College van oordeel dat appellant hiermee geen wijziging in de omstandigheden met ingang van 4 april 2007 heeft aangevoerd. Uit het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de intrekking van bijstand met ingang van 1 juni 2006, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het eerdergenoemde rapport van 10 juli 2006, blijkt dat appellant veel meer auto’s verhandelde dan er op zijn naam geregistreerd stonden, zodat aan het feit dat er nu slechts twee auto’s op zijn naam en de naam van zijn vrouw staan geregistreerd onvoldoende betekenis toekomt. Verder blijkt uit het rapport van 10 juli 2006 dat aan het feit dat op de facturen van de huur van het bedrijventerrein van garage [W.] de voorletter H. staat, ook geen betekenis toekomt omdat de (mede)eigenaar van deze garage appellant heeft geïdentificeerd als degene aan wie het bedrijventerrein werd verhuurd, zonder zich daarbij af te vragen waar de letter H. voor staat. Ook de financiële situatie van appellant kan niet als zodanige wijziging in de omstandigheden worden opgevat. Het College heeft in dit verband opgemerkt dat appellant geen afdoende verklaringen voor de kasstortingen op zijn bankrekening heeft gegeven. Ten aanzien van het standpunt van appellant dat het voor hem onmogelijk is om aannemelijk te maken dat hij zich niet langer met de in- en verkoop van auto’s bezighoudt, overweegt de Raad dat de bewijspositie van appellant in een situatie als hier aan de orde wellicht een lastige, maar geen onmogelijke is. Appellant had immers met ontlastende verklaringen kunnen komen of tegenover het College kunnen verklaren dat hij zich in ieder geval sinds de aanvraagdatum niet meer ophield op het bedrijventerrein, zodat hij daar ook niet meer kon worden gesignaleerd.

4.6.5. Uit hetgeen onder 4.6.2 tot en met 4.6.4 is overwogen volgt dat het College de aanvraag van 4 april 2007 terecht heeft afgewezen en dat het beroep van appellant tegen het besluit van 17 december 2007 ongegrond dient te worden verklaard.

4.7. De Raad overweegt ten aanzien van de aanvraag van 6 september 2007 het volgende.

4.7.1. De Raad stelt vast dat de beoordelingsperiode naar aanleiding van deze aanvraag de periode van 1 juni 2006 tot en met 26 oktober 2007 bestrijkt. De Raad acht het in het licht van het onder 4.4 overwogene aangewezen hierbij een onderscheid te maken tussen de periode van 1 juni 2006 tot en met 24 mei 2007, van 25 mei 2007 tot en met 5 september 2007 en van 6 september 2007 tot en met 26 oktober 2007.

4.7.2. De Raad is van oordeel dat alleen voor wat betreft de periode van 1 juni 2006 tot en met 24 mei 2007 geldt dat er sprake is van een verzoek om terug te komen van eerdere besluiten als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het College heeft dan ook ten onrechte de hele aanvraag onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb afgewezen.

4.7.3. Uit hetgeen onder 4.7.2 is overwogen volgt dat het beroep tegen het besluit van 7 april 2008 gegrond is en dat dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal vervolgens nagaan of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.

4.7.4. De Raad is van oordeel dat ten aanzien van de periode van 1 juni 2006 tot en met 24 mei 2007 niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb op grond waarvan het College aanleiding had moeten zien om van (één van) de eerder genomen besluiten terug te komen.

4.7.5. Met betrekking tot de periode van 25 mei 2007 tot en met 5 september 2007 is de Raad van oordeel dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant voor bijstand met terugwerkende kracht in aanmerking zou kunnen komen.

4.7.6. Voor de periode van 6 september 2007 tot en met 26 oktober 2007 is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij over die periode - anders dan voorheen - wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. De Raad overweegt hiertoe dat appellant zich vooral heeft beroepen op hetgeen hij reeds in de procedure tegen de hiervoor behandelde aanvraag van 4 april 2007 heeft aangevoerd en ingebracht. Zoals de Raad onder 4.6.4 heeft overwogen, heeft appellant daarmee geen bewijs geleverd dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden. Ook voor het overige is de Raad niet gebleken dat hetgeen appellant heeft aangevoerd een wijziging in de omstandigheden betreft op grond waarvan kan worden aangenomen dat appellant zich met ingang van 6 september 2007 niet langer met autohandel bezighield.

4.7.7. Uit hetgeen onder 4.7.3 tot en met 4.7.6 is overwogen volgt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 7 april 2008 in stand kunnen blijven.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen de besluiten van 2 augustus 2007 en 17 december 2007 ongegrond;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 april 2008 gegrond;

Vernietigt het besluit van 7 april 2008;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A.B.J. van der Ham en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.

TM