Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0848

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2010
Datum publicatie
13-04-2010
Zaaknummer
09-2974 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering (55-65%). Belastbaarheid juist vastgesteld. Het gaat om de uit de gediagnosticeerde aandoening volgende beperkingen voor het verrichten van arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2974 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 april 2009, 07/4954 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.S. Fluit, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Fluit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door B. de Weijer.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 17 september 2007 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 5 april 2007 waarbij de WAO-uitkering van appellante, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, ongewijzigd is voortgezet.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante tegen het besluit van 17 september 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en beslissingen genomen omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat zij de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 maart 2007 op het item 1.9.8 (handelingstempo) onvoldoende gemotiveerd acht, maar dat de onjuiste FML niet heeft geleid tot een onjuiste schatting en dat de geduide functies passend worden geacht.

2.2. Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 november 2008, LJN BG5460 in een eerdere procedure tussen partijen, is de rechtbank van oordeel dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd dat haar beperkingen ernstiger zijn dan zoals verwoord in de FML van 8 juni 2004.

In die uitspraak heeft de Raad het oordeel gevolgd van de door hem geraadpleegde deskundige professor F. Koerselman zoals neergelegd in diens rapportage van 23 mei 2008. Bedoelde rapportage is door beide partijen ingebracht als mede van belang voor de onderhavige beroepszaak.

3.1. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij in medisch opzicht meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat als gevolg daarvan de geduide functies ten onrechte door de rechtbank passend zijn geacht.

3.2. Voorts heeft zij een verklaring van 5 augustus 2009 overgelegd afkomstig van professor dr. B. van Houdenhove, buitengewoon hoogleraar aan de Faculteit Geneeskunde K.U. Leuven, Kliniekhoofd Liaisonpsychiatrie & Referentiecentrum CVS UZ Leuven. Appellante stelt zich op het standpunt dat professor Van Houdenhove een beredeneerd afwijkend standpunt inneemt ten opzichte van dat van professor Koerselman in diens rapportage van 23 mei 2008. Zij heeft niet het idee dat het rapport van Koerselman echt over haar gaat, maar herkent zich wel in wat Van Houdenhove schrijft.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad kan appellante niet volgen in haar standpunt dat de rechtbank heeft miskend dat haar belastbaarheid onjuist is vastgesteld en dat zij in het geheel niet in staat is te werken. De rechtbank heeft haar oordeel ter zake uitgebreid gemotiveerd. De Raad maakt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne.

4.2. In de omstandigheid dat in de verklaring van Van Houdenhove wordt uitgegaan van een andere diagnose dan in de rapportage van Koerselman acht de Raad geen overtuigend argument gelegen ter onderbouwing van het standpunt van appellante dat haar beperkingen zijn onderschat.

Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid gaat het niet om de (precieze) diagnose, maar om de uit de gediagnosticeerde aandoening volgende beperkingen voor het verrichten van arbeid. Uit de in hoger beroep ingebrachte nadere medische informatie kan naar het oordeel van de Raad niet worden afgeleid dat de door het Uwv aangenomen beperkingen onvoldoende recht doen aan de psychische klachten van appellante. De Raad kan zich vinden in de reactie op de verklaring van Van Houdenhove van de bezwaarverzekeringsarts Van Gulick van 14 december 2009.

4.3. De in hoger beroep herhaalde grieven met betrekking tot de medische geschiktheid van de aan appellante voorgehouden functies zijn naar het oordeel van de Raad door de rechtbank afdoende besproken en weerlegd.

4.4. De overwegingen 4.1 tot en met 4.3 brengen mee dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevochten.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.E. van Rooij.

JL