Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0844

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2010
Datum publicatie
13-04-2010
Zaaknummer
09-2415 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling WAO-uitkering op 15-25%. Juistheid FML. Geen urenbeperking. Rekening gehouden met stress en sociale aspecten. Uitval uit WSW-arbeid betekent niet dat de in het kader van de WAO-schatting geduide functies op de vrije arbeidsmarkt buiten het bereik van appellant liggen. De criteria die worden aangelegd bij een WSW-beoordeling zijn niet dezelfde als die gelden bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ingevolge de WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2415 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 maart 2009, 08/144 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met bijvoeging van een rapport van bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij van 8 juni 2009.

Desgevraagd heeft appellant bij brief van 18 januari 2010 een rapport van sociaal psychiatrisch verpleegkundige R. in de Braekt van 3 april 2006 aan de Raad doen toekomen.

Namens appellant zijn bij brief van 12 februari 2010 nadere stukken aan de Raad toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2010. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door W. Höppener.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven.

1.2. De Raad volstaat hier met de vermelding dat het Uwv bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 16 april 2008, dat ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is genomen, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 11 januari 2006 heeft vastgesteld op 15 tot 25%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat er geen aanleiding bestaat de door het Uwv bij het bestreden besluit aangenomen medische beperkingen voor onjuist te houden en dat in het bijzonder niet is gebleken dat een urenbeperking noodzakelijk is. Verder is de rechtbank van oordeel dat appellant de aan de schatting ten grondslag gelegde functies moet kunnen vervullen.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn in eerste aanleg aangevoerde grieven in essentie herhaald. Appellant heeft gesteld dat zijn medische beperkingen ten gevolge van zijn psychische klachten en gehoorverlies zijn onderschat en dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op de indicatie in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) waarbij een urenbeperking is aangenomen. Voorts heeft appellant gesteld dat hij niet in staat is de geduide functies uit te oefenen omdat hij geen werk op de vrije arbeidsmarkt kan verrichten, hetgeen zijns inziens onder meer blijkt uit het feit dat hij in december 2007 is uitgevallen uit WSW-arbeid.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de stelling van appellant dat te geringe beperkingen zijn vastgesteld door het Uwv.

4.2. In verband met de psychische aandoening van appellant heeft de adviserend arts van het Uwv aangenomen dat appellant beperkt is ten aanzien van sociaal en persoonlijk functioneren. Bij de vastlegging van de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 september 2005 heeft deze arts uitdrukkelijk rekening gehouden met stress en sociale aspecten. Een urenbeperking heeft deze arts niet noodzakelijk geacht.

De bezwaarverzekeringsartsen hebben de conclusie van de adviserend arts bevestigd en zij hebben evenmin voor een urenbeperking aanleiding gezien. Daarbij is mede van belang geacht dat de uitkomst van de psychiatrische expertise, welke in mei 2006 werd verricht door psychiater J. Huisman, in lijn lag met de conclusie van het Uwv ten aanzien van routinematige werkzaamheden zonder tijdsdruk en belastende elementen in sociaal functioneren. Met betrekking tot het gehoorverlies van appellant heeft bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij het niet noodzakelijk geacht alsnog een beperking aan te nemen, maar is door hem wel de kanttekening geplaatst dat appellant gelet op het lichte gehoorverlies aan het linkeroor geen werkzaamheden in de geluidsmatige controle zou moeten doen.

4.3. Appellant heeft geen medische informatie ingebracht die de Raad aan de juistheid van de FML doet twijfelen. Ook heeft de Raad in hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden om inzake de noodzaak van een urenbeperking tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Het Uwv heeft met de tijdens bezwaar en beroep opgestelde verzekeringsgeneeskundige rapportages afdoende gemotiveerd dat er geen objectief-medische aanknopingspunten zijn om een urenbeperking aan te nemen. Dat een werktijdaanpassing in het kader van de WSW is geadviseerd is naar het oordeel van de Raad niet voldoende om onjuist te achten dat de (bezwaar)verzekeringsarts een urenbeperking in de FML achterwege liet. Een onderzoek in het kader van de WSW is - zoals bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij in zijn rapportages van 20 juni 2006, 2 februari 2007 en 27 februari 2008 terecht heeft opgemerkt - immers niet gericht op het vaststellen van beperkingen als ter beoordeling in het kader van een WAO-schatting en niet staat vast dat de opvatting over de duurbeperking is getoetst aan de voorwaarden die bij een WAO-schatting gelden voor het aannemen van een urenbeperking. Daarbij merkt de Raad nog op dat de in het kader van de WSW geadviseerde werktijdaanpassing in het geheel niet is onderbouwd.

4.4. Uit het feit dat appellant op 18 september 2007 - bijna twee jaar na de in geding zijnde datum van 11 januari 2006 - is uitgevallen uit WSW-arbeid, kan naar het oordeel van de Raad niet worden afgeleid dat ten tijde van de ter beoordeling staande WAO-schatting functies op de vrije arbeidsmarkt buiten het bereik van appellant lagen. De Raad benadrukt hierbij nogmaals dat de criteria die worden aangelegd bij een WSW-beoordeling niet dezelfde zijn als die gelden bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ingevolge de WAO.

4.5. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen staat ook voor de Raad genoegzaam vast dat, gezien de toelichting in de arbeidskundige rapportage van 4 december 2006, de bij de schatting betrokken functies binnen de mogelijkheden van appellant liggen.

4.6. Het overwogene onder 4.1 tot en met 4.5 brengt met zich mee dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R. Kruisdijk en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2010.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) D.E.P.M. Bary.

GdJ