Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0834

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
13-04-2010
Zaaknummer
08-3554 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Terecht heeft het Uwv de pensioenpremies niet (als voordeel uit dienstbetrekking) betrokken bij de vaststelling van het maatmaninkomen. Het werkgeversaandeel in de pensioen- en vutpremie kan alleen dan worden verdisconteerd in het maatmaninkomen indien de werkgever een hoger bedrag aan premie voor zijn rekening heeft genomen dan in de bedrijfstak gebruikelijk is (LJN AF7653). Hiervan is geen sprake. Doorslaggevend is de feitelijke situatie en niet de reden van de premiebetaling door de werkgever. Herbeoordeling aan de hand van het oude Schattingsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2010, 104
RSV 2010/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3554 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 14 mei 2008, 07/3169 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.J.A. Vis, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 4 december 2009 heeft mr. N.E. van Uitert, advocaat te Leeuwarden, zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Bij brieven van 8, 9 en 11 februari 2010 zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld en stukken in het geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010, waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als staffunctionaris P&O. Op 20 december 2000 heeft zij zich, nadat haar een verkeersongeval was overkomen, ziek gemeld. Met ingang van 19 december 2001 ontvangt zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2. In het kader van een herbeoordeling op grond van het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft in het najaar van 2006 medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op grond van de uitkomsten daarvan heeft het Uwv bij besluit van 16 november 2006 de uitkering van appellante met ingang van 17 januari 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Tegen het besluit van 16 november 2006 heeft appellante bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 13 november 2007 ongegrond is verklaard.

3.1. Tegen het besluit van 13 november 2007, hierna: het bestreden besluit, heeft appellante beroep bij de rechtbank ingesteld. Zij heeft gesteld dat zij bij haar voormalige werkgever heeft deelgenomen aan een regeling voor het ouderdomspensioen, waarbij zij geen premie behoefde te betalen maar de werkgever de gehele premie betaalde. Ten onrechte heeft het Uwv de pensioenpremies niet (als voordeel uit dienstbetrekking) betrokken bij de vaststelling van het maatmaninkomen. Ware dat wel gebeurd dan zou de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ingedeeld zijn gebleven in de klasse van 45 tot 55%.

3.2. De rechtbank heeft het beroep in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij heeft, kort gezegd, overwogen dat deelname aan een pensioenregeling, waarin alleen de werkgever de pensioenpremies voldoet, als een uit een dienstbetrekking voortvloeiend voordeel kan gelden. Nu echter uit informatie van de werkgever van appellante is gebleken dat weliswaar sprake was van een voor de werknemer premievrij pensioen maar tevens dat de werkgever in het jaar 2001 (derhalve per einde wachttijd) nog geen bijdrage in de pensioenpremie had betaald omdat het fonds, waaruit de uitkeringen worden gedaan zodanig was gevuld dat premiebetaling niet (meer) nodig was kon naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een voor appellante geldend voordeel uit dienstbetrekking, dat betrokken zou moeten worden bij de vaststelling van het maatmanloon.

4.1. Appellante kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen. In hoger beroep heeft zij, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 4 mei 2004, LJN AP0435, gesteld dat de door de werkgever betaalde premies voor het ouderdomspensioen bij de vaststelling van het maatmaninkomen moeten worden betrokken en dat dit niet anders wordt ingeval de werkgever in het refertejaar geen premies heeft afgedragen. Appellante heeft er verder op gewezen dat het bestreden besluit voor haar onevenredig nadelige gevolgen heeft. De mate van haar arbeidsongeschiktheid is namelijk per 22 februari 2007, na een herbeoordeling op grond van het oude Schattingsbesluit, ingedeeld in de klasse 55 tot 65%. Appellante ontvangt een uitkering van de WAO-hiaatverzekeraar en heeft een gedeeltelijke premievrije opbouw van het ouderdomspensioen op basis van de voorheen geldende arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%. Beide verzekeringen bepalen echter dat een afname van de mate van arbeidsongeschiktheid leidt tot een definitieve verlaging van eerder bedoelde uitkering en vrijstelling terwijl verhogingen van de arbeidsongeschiktheidsklasse geen hogere aanspraak geven. Hoewel de verlaging van de arbeidsongeschiktheidsklasse als gevolg van het bestreden besluit nog geen vijf weken heeft geduurd is de verlaging van de aanspraken op grond van de particuliere verzekeringen van blijvende aard.

4.2. In verweer heeft het Uwv aangevoerd dat op grond van vaste rechtspraak van de Raad de werkgeversbijdrage in de pensioenpremie in beginsel alleen in het maatmaninkomen hoeft te worden meegenomen als de werkgever méér premie voor zijn rekening neemt dan in de bedrijfstak gebruikelijk is. Uit de CAO inzake pensioenen voor de zuivelindustrie blijkt dat de aan de op grond van deze CAO te sluiten pensioenverzekeringen verbonden kosten ten laste van de werkgever komen. Er is dan ook geen sprake van een meer dan gebruikelijke werkgeversbijdrage.

5. De Raad stelt vast dat het geschil tussen partijen zich beperkt tot de hoogte van het maatmaninkomen en in het bijzonder tot de vraag of de door de werkgever voor zijn rekening genomen pensioenpremie betrokken moet worden in het maatmaninkomen.

De Raad overweegt als volgt.

5.1. Zoals terecht door het Uwv is gesteld dient op grond van vaste rechtspraak van de Raad het werkgeversaandeel in de pensioen- en vutpremie alleen dan te worden verdisconteerd in het maatmaninkomen indien de werkgever een hoger bedrag aan premie voor zijn rekening heeft genomen dan in de bedrijfstak gebruikelijk is. De Raad wijst bijvoorbeeld op zijn uitspraak van 4 april 2003 LJN AF7653, ook gepubliceerd in USZ 2003/174.

5.2. Uit de CAO’s inzake Pensioenen, respectievelijk Pensioenen 2000 voor de Zuivelindustrie, geldend voor de periode van 1 april 1999 tot en met 31 maart 2004, respectievelijk 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004, zoals ter zitting overgelegd door appellante, blijkt dat de bij die CAO’s betrokken werkgevers in de zuivelindustrie zich hebben verbonden de premiebetaling voor de pensioenaanspraken van hun werknemers geheel voor hun rekening te nemen. De Raad kan op grond hiervan niet anders concluderen dan dat het in de bedrijfstak van de zuivelindustrie op het moment dat het maatmaninkomen van appellante moest worden vastgesteld (19 december 2001) gebruikelijk was dat de werkgever ook het werknemersdeel van de pensioenpremie voor zijn rekening nam. Van een situatie waarin de werkgever van appellante een hoger bedrag dan in de bedrijfstak gebruikelijk is voor zijn rekening nam, kan dan ook niet worden gesproken. Om deze reden moeten de door de werkgever van appellante betaalde pensioenpremies bij de bepaling van de hoogte van het maatmaninkomen buiten beschouwing blijven.

5.3. Aan het vorenstaande doet niet af dat, naar appellante heeft betoogd, voor haar persoonlijk ook al in het verleden, op grond van oude rechten uit arbeidsovereenkomst, gold dat de gehele pensioenpremie door de werkgever werd betaald. Immers, doorslaggevend is de feitelijke situatie op 19 december 2001 en niet de reden van de premiebetaling door de werkgever.

5.4. De omstandigheid dat het bestreden besluit voor appellante blijvende nadelige gevolgen heeft in de inkomenssfeer kan niet leiden tot het oordeel dat het Uwv in strijd met de wet de pensioenpremie in het maatmaninkomen had moeten betrekken.

5.5. Voor zover appellante heeft willen betogen dat de herziening van haar uitkering naar de klasse 55 tot 65% naar aanleiding van de herbeoordeling aan de hand van het oude Schattingsbesluit niet had moeten plaatsvinden per 22 februari 2007 maar met verdere terugwerkende kracht tot de thans in geding zijnde datum 19 januari 2007 verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 28 januari 2009, LJN BH2018 en 22 april 2009 LJN BH0312, waaruit blijkt dat dit betoog niet kan slagen.

6. Hetgeen in 5 tot en met 5.5 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het op enigszins gewijzigde gronden, bevestigd moet worden.

7. De Raad ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.

(get.) T. Hoogenboom

(get.) T.J. van der Torn.

EF