Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0753

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
12-04-2010
Zaaknummer
07-5964 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindigen Wajong-uitkering. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken dat appellant voor zijn verzorging volledig afhankelijk is van de pleegmoeder. De Raad is uit hetgeen namens appellant is aangevoerd er niet van overtuigd geraakt dat appellant niet, eventueel met de in Nederland aanwezige medische en andere hulp, zelfstandig zou kunnen wonen. Dat verschillende uitkeringen verschillende voorwaarden hebben leidt niet tot het oordeel dat van ongerechtvaardigd onderscheid gesproken kan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/147 met annotatie van Driessen
JB 2010/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5964 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te Bonaire (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 september 2007, 05/445 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Vermaat heeft bij brief van 4 december 2007 een rapport van

mr. M.G. Vlemminx-Boekhorst, werkzaam bij Juridisch expertisebureau Clarior ingezonden, alsmede bij brief van 23 oktober 2008 een rapportage van neuropsycholoog drs. S. Ebecilio.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2010. Namens appellant zijn verschenen mr. Vermaat en mr. Vlemminx-Boekhorst. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C.F.M. Mollee.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [in] 1983, was in het genot van een uitkering in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hij heeft verzocht met behoud van deze uitkering naar het buitenland, in casu Bonaire, te mogen verhuizen, aangezien zijn pleegmoeder, [naam pleegmoeder], het voornemen had zich blijvend op Bonaire te vestigen en hij van haar begeleiding afhankelijk was.

1.2. Bij besluit van 23 november 2004 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat zijn Wajong-uitkering wordt beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarop hij buiten Nederland gaat wonen.

1.3. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit op bezwaar van 7 maart 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hierbij heeft het Uwv overwogen dat op grond van artikel 17, eerste lid, onder c, van de Wajong het recht op Wajong-uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Op grond van artikel 17, zevende lid, van de Wajong kan het Uwv deze bepaling buiten toepassing laten als het wél toepassen ervan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, de zogeheten hardheidsclausule. Het Uwv heeft, voor de beoordeling hiervan, het Besluit beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland van 29 april 2003 (Stcrt. 2003, 84, hierna: Besluit) ontwikkeld. In dit Besluit is onder andere opgenomen dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, indien de jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen. Als zwaarwegende reden wordt in ieder geval aangemerkt het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is/zijn om buiten Nederland te gaan wonen.

1.4. In het bestreden besluit heeft het Uwv gemotiveerd waarom hij van mening is dat voor de pleegmoeder van appellant geen dwingende redenen aanwezig zijn om naar Bonaire te verhuizen. Tevens is het Uwv van mening dat onvoldoende is gebleken dat appellant voor zijn verzorging louter afhankelijk is van zijn pleegmoeder. Ook de andere in het Besluit genoemde omstandigheden zijn niet op appellant van toepassing. Evenmin zijn er andere zwaarwegende redenen toch tot export van de Wajong-uitkering over te gaan.

1.5. Appellant is op 15 maart 2005 uitgeschreven uit de Gemeentelijke Basisadministratie van [plaatsnaam]. Hij is momenteel woonachtig op Bonaire.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht geen redenen van zwaarwegende aard heeft aangenomen en de uitkering mocht beëindigen per de eerste dag van de maand volgend op die waarin appellant naar Bonaire is vertrokken. Evenmin was, volgens de rechtbank, sprake van schending van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, dan wel artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Aan toetsing van artikel 12 van het Europees Sociaal Handvest komt de rechtbank niet toe, aangezien dit artikel niet een ieder verbindend voorschrift bevat. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat, onder verwijzing naar het arrest Hendrix van het Hof van Justitie EG van

11 september 2007, C-287/05, de woonplaatsvoorwaarde van de Wajong niet in strijd is met Vo 1408/71.

3. In hoger beroep heeft appellant in essentie zijn standpunt herhaald. Ter nadere onderbouwing is namens hem nog een rapport van mr. Vlemminx-Boekhorst ingezonden.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Tussen partijen is, ten eerste, in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in het geval van appellant geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, zodat de weigering van het Uwv om toepassing te geven aan de in artikel 17, zevende lid, van de Wajong opgenomen hardheidsclausule in rechte stand kan houden.

4.2. Op grond van dit artikellid kan het Uwv het exportverbod buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken dat appellant voor zijn verzorging volledig afhankelijk is van mevrouw [naam pleegmoeder]. Uit het rapport van verzekeringsarts E.A. Michel van 4 oktober 2004 blijkt dat appellant, met enige begeleiding, zelfstandig kan functioneren. Dit blijkt eveneens uit het namens appellant ingezonden rapport van drs. Ebecilio. De Raad is uit hetgeen namens appellant is aangevoerd er niet van overtuigd geraakt dat appellant niet, eventueel met de in Nederland aanwezige medische en andere hulp, zelfstandig zou kunnen wonen. Nu appellant niet zorgafhankelijk is van mevrouw [naam pleegmoeder], bestond voor hem niet op deze grond een noodzaak mee te verhuizen naar Bonaire. Ook anderszins acht de Raad geen zwaarwegende redenen aanwezig om geen toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, onder c, van de Wajong.

4.3. Met betrekking tot het beroep op internationale verdragen overweegt de Raad als volgt.

4.4. Namens appellant is gesteld dat sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. Het stellen van de woonplaatseis in de Wajong leidt tot indirecte discriminatie op grond van nationaliteit. Tevens wordt onderscheid gemaakt binnen de groep van personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, nu rechthebbenden op een WAO/WIA/WAZ-uitkering deze wel, in beginsel, naar het buitenland kunnen exporteren, maar rechthebbenden op een Wajong-uitkering niet. Ook is, volgens appellant, sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen rechthebbenden op een uitkering die op premiebetaling is gebaseerd en rechthebbenden op een uitkering die niet op premiebetaling is gebaseerd. Ten slotte stelt appellant dat onderscheid wordt gemaakt naar leeftijd, nu de Wajong wordt toegekend aan jonggehandicapten.

4.5. De Raad ziet zich voor de vraag gesteld of het gemaakte onderscheid gerechtvaardigd is. Hiervan is sprake, indien het verschil in behandeling is gebaseerd op redelijke en objectief te rechtvaardigen gronden en voorts indien het gekozen middel geschikt en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken. Uit de stukken blijkt dat de doelstelling ten aanzien van de regeling van de niet-exporteerbaarheid van een Wajong-uitkering tweeledig is. Ten eerste het streven om weer terug te keren naar een systeem waarin niet op premiebetaling berustende uitkeringen worden verstrekt aan personen die ingezetene zijn. Ten tweede het streven te voorkomen dat het voor (gezinnen met) jonggehandicapten aantrekkelijk wordt enige tijd in Nederland te komen wonen en vervolgens met behoud van Wajong-uitkering weer naar het land van herkomst te vertrekken. Naar het oordeel van de Raad kunnen deze redenen aangemerkt worden als redelijke en objectieve gronden. De Wajong-uitkering berust niet op premiebetaling en is gerelateerd aan de levensstandaard in Nederland. De eis van het wonen in Nederland is dan ook gerechtvaardigd. Het gekozen middel van de, in beginsel, niet-exporteerbaarheid van de Wajong-uitkering is een geschikt middel daarvoor. Gezien de gestelde doelen is het tevens een noodzakelijk middel. Hieraan voegt de Raad nog toe dat binnen de Europese Unie consensus bestaat over de opvatting dat een uitkering als de Wajong, die niet op premiebetaling is gebaseerd, niet geëxporteerd behoeft te worden. Deze consensus blijkt uit het feit dat de Wajong is geplaatst op Bijlage II bis bij Vo 1408/71. Tevens wijst de Raad op het gegeven dat het Hof van Justitie EG in het arrest Hendrix heeft uitgesproken dat in beginsel de eis van wonen in Nederland in de Wajong gesteld mag worden.

4.6. Van ongelijke behandeling van personen met een Wajong-uitkering ten opzichte van personen met een WAO/WIA/WAZ-uitkering kan evenmin gesproken worden. Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van in rechtens relevante mate vergelijkbare gevallen, alleen al omdat de WAO/WIA/WAZ-uitkeringen gebaseerd zijn op premiebetaling en de Wajong niet. Evenmin is, gezien het voorgaande, sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid naar leeftijd. Weliswaar speelt leeftijd een rol in het kader van de Wajong, maar alleen bij de vraag op welk moment (en op welke leeftijd) sprake dient te zijn van arbeidsongeschiktheid van een rechthebbende om voor een uitkering op grond van de Wajong in aanmerking te komen. Dat verschillende uitkeringen verschillende voorwaarden hebben leidt niet tot het oordeel dat van ongerechtvaardigd onderscheid gesproken kan worden.

4.7. Dit alles leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) W. Altenaar.

KR