Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0722

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
12-04-2010
Zaaknummer
07-1924 WAO + 10-479 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering (15 tot 25%). Gelet op de medische stukken houdt de Raad het ervoor dat met de aanvaarde functionele beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren voldoende rekening is gehouden met de belastbaarheid van appellant op psychisch vlak. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor twijfel aan de medische geschiktheid van appellant voor de functies behorend bij de Sbc-codes van productiemedewerker metaal- en elektro-industrie (111171), samensteller metaalwaren (264140) en productiemedewerker papier, karton, drukkerij (111174). Ook de Raad is van oordeel dat er geen reden is die functies voor appellant in medisch opzicht niet passend te achten. Geen schending redelijke termijn. Afwijzing schadevergoeding. Langere behandelingsduur gerechtvaardigd. Processueel gedrag appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2010, 881
USZ 2010/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1924 WAO + 10/479 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 maart 2007, 06/2780 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.T.G. van Engelen, advocaat te Wageningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. Winkel.

De Raad heeft na de behandeling ter zitting vastgesteld dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee hij het vooronderzoek heeft heropend. De Raad heeft daarna professor G.F. Koerselman, psychiater, benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek.

Koerselman heeft de Raad bericht dat appellant verhinderd was voor het op 11 juni 2009 door hem te verrichten onderzoek en op zijn tweede uitnodiging voor onderzoek op

30 juni 2009 niet heeft gereageerd. Nadien is getracht appellant via mr. Van Engelen te bereiken. Mr. Van Engelen heeft de Raad telefonisch op 4 januari 2010 meegedeeld dat hij al geruime tijd geen contact meer heeft met appellant.

Het Uwv heeft een nieuw besluit op bezwaar van 21 januari 2010 genomen waartegen mr. Van Engelen nadere gronden heeft ingediend.

Mr. Van Engelen heeft de Raad bij brief van 11 februari 2010 bericht dat hij ervan uitgaat dat appellant in Marokko verblijft op een onbekend adres.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diekema.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad verwijst voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak en volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 14 september 2005 heeft het Uwv appellants uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, per 15 november 2005 ingetrokken. Bij besluit van 3 mei 2006 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep dat appellant tegen besluit 1 heeft ingesteld ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft hiertegen in hoger beroep aangevoerd dat de urenbeperking voor het verrichten van arbeid die tot 15 november 2005 door het Uwv was aangenomen had moeten worden voortgezet, aangezien hij op deze datum leed aan een depressie met ernstige kenmerken. Daarnaast hadden zijns inziens meer lichamelijke beperkingen moeten worden aangenomen.

3.2. Het Uwv is van opvatting dat de juiste beperkingen zijn vastgesteld. Daartoe heeft het Uwv erop gewezen dat, alvorens hiertoe is overgegaan, op zijn verzoek op

14 juni 2005 een onderzoek is verricht door zenuwarts/neuroloog/psychiater C.J.F. Kemperman als deskundige. Vervolgens is op grond van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant door het Uwv vastgesteld op minder dan 15%.

3.3. Op 21 januari 2010 heeft het Uwv een nieuw besluit genomen op het bezwaar van appellant (hierna: besluit 2). Dit besluit berust op dezelfde medische en arbeidskundige grondslag als besluit 1, met dien verstande dat daarbij niet langer is uitgegaan van maatmanarbeid met een omvang van 38 uur per week, maar is uitgegaan van de werkelijke omvang van de maatmanarbeid van ruim veertig uur per week. Dit heeft meegebracht dat het Uwv bij besluit 2 alsnog heeft besloten appellant ingaande

15 november 2005 voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt te beschouwen en hem per deze datum de daarbij behorende WAO-uitkering toe te kennen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Nu met besluit 2 niet volledig is tegemoetgekomen aan het hoger beroep van appellant, dient dit besluit met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze procedure te worden betrokken.

4.2. Met betrekking tot de medische beoordeling door het Uwv heeft de Raad na de zitting van 23 januari 2009 aanleiding gezien om een deskundige te benoemen en deze te vragen een psychiatrisch onderzoek te verrichten naar de gezondheidstoestand van appellant op 15 november 2005. Op grond van artikel 8:30 van de Awb zijn partijen verplicht om medewerking te verlenen aan een deskundigenonderzoek. Op grond van artikel 8:31 van de Awb, in verbinding met artikel 17, eerste lid, van de Beroepswet, kan de Raad uit het niet verschijnen van een partij bij de deskundige de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.

4.3. De Raad heeft de gemachtigde van appellant bij brief van 7 januari 2010 gewezen op het bepaalde in artikel 8:31 van de Awb. Gelet op diens bij brief van 11 februari 2010 gegeven reactie constateert de Raad dat appellant al geruime tijd niet bereikbaar is en niet kan meedelen waarom hij niet in staat of bereid was om gevolg te geven aan de oproep van de deskundige. De Raad verbindt daaraan de gevolgtrekking dat, eventuele twijfel over de psychische belastbaarheid van appellant op 15 november 2005 niet ten gunste van appellant zal worden uitgelegd. Gelet op de zich in het dossier bevindende medische stukken houdt de Raad het ervoor dat met de aanvaarde functionele beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren voldoende rekening is gehouden met de belastbaarheid van appellant op psychisch vlak op 15 november 2005. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank hierover. Ten aanzien van de door appellant genoemde lichamelijke klachten onderschrijft de Raad het standpunt van het Uwv dat er geen medische grondslag is om daarnaast functionele beperkingen voor fysieke belasting vast te stellen.

4.4. De rechtbank heeft voorts terecht geen aanleiding gezien voor twijfel aan de medische geschiktheid van appellant voor de functies behorend bij de Sbc-codes van productiemedewerker metaal- en elektro-industrie (111171), samensteller metaalwaren (264140) en productiemedewerker papier, karton, drukkerij (111174). Ook de Raad is van oordeel dat, uitgaande van de juistheid van de beperkingen zoals die voor appellant zijn vastgesteld, er geen reden is die functies voor appellant in medisch opzicht niet passend te achten. Met de rapporten van arbeidsdeskundige J. Borgers en bezwaararbeidsdeskundige J.A.M. Snijders, aangevuld met het in beroep uitgebrachte rapport van bezwaararbeidsdeskundige J.F. Stoffijn van 18 december 2006, is dit voldoende onderbouwd. Dit betekent naar het oordeel van de Raad dat het beroep van appellant tegen besluit 2 ongegrond is.

4.5. De Raad stelt vast dat het Uwv besluit 2 hangende het hoger beroep heeft genomen en daarbij besluit 1 heeft gewijzigd. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het beroep tegen besluit 1 gegrond moet worden verklaard. Ook besluit 1 zal worden vernietigd.

5.1. Namens appellant is in hoger beroep verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De vraag of deze termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de procesgang en de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt.

5.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De onder 5.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven een langere behandelingsduur gerechtvaardigd te achten.

5.3. In dit geding is de Raad van oordeel dat, vanwege het processuele gedrag van appellant, een langere behandelingsduur gerechtvaardigd is. Zoals uit het procesverloop blijkt, heeft het onderzoek door de deskundige door toedoen van appellant geen doorgang kunnen vinden en is een vlotte afhandeling van het hoger beroep verder bemoeilijkt doordat appellant, zonder kennisgeving, naar het buitenland is vertrokken. De Raad is van oordeel dat deze gang van zaken rechtvaardigt dat in dit geval de behandelingsduur in totaal vier en een half jaar mocht duren. Nu sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 25 oktober 2005 tot aan deze uitspraak geen vier en een half jaar zijn verstreken, stelt de Raad vast dat de redelijke termijn niet is geschonden.

6. De Raad ziet in hetgeen onder 4.5 is overwogen aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 3 mei 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 januari 2010 ongegrond;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR