Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0721

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2010
Datum publicatie
12-04-2010
Zaaknummer
09-4434 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-utikering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. De bva heeft gemotiveerd waarom er geen urenbeperking wordt aangenomen. In reactie op de in hoger beroep overgelegde brief van de KNO-arts heeft de bva opgemerkt dat hierin geen nieuwe medische feiten staan die, waren zij bekend geweest ten tijde van de gevalsbehandeling, tot een ander oordeel zouden hebben geleid. De medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4434 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 juli 2009, 08/1793 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, gevestigd te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2010. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door Reeser, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Drossaert.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 18 juli 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 6 september 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

1.2. Bij besluit van 16 februari 2007 heeft het Uwv het tegen het besluit van 18 juli 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Bij uitspraak van 8 januari 2008 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 februari 2007 vernietigd, bepaald dat het Uwv een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en bepalingen gegeven met betrekking tot griffierecht en proceskosten.

2.2. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat het besluit van 16 februari 2007 genomen is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel als neergelegd in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nu het medisch onderzoek in de primaire fase is uitgevoerd door een arts, niet zijnde een verzekeringsarts. De rechtbank acht dit gebrek niet hersteld door het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts omdat in de heroverwegingsfase geen lichamelijk onderzoek is verricht.

3. Het Uwv heeft, gevolg gevend aan deze uitspraak, op 25 april 2008 een nieuw besluit genomen, waarbij het bezwaar van appellante, op basis van een nader onderzoek van bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden, wederom ongegrond is verklaard.

4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 25 april 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het rapport van Van Kasteren-van Delden als degelijk moet worden aangemerkt en dat de conclusies van dat rapport moeten worden gevolgd. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het besluit van 25 april 2008 heeft de rechtbank overwogen dat, uitgaande van de op de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 12 juni 2006 aangegeven belastbaarheid, appellante in staat moet worden geacht de voor haar geselecteerde functies te vervullen.

5. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank er aan voorbij gaat dat het totaal van de klachten tot dusdanige beperkingen leidt dat zij niet volledig arbeidsgeschikt kan worden geacht. Appellante is van mening dat er een substantiële medische urenbeperking moet worden aangenomen. Ter onderbouwing van het hoger beroep is een brief van Keel-, Neus- en Oorarts dr. F.C.P.M. Adriaansen van 3 maart 2009 overgelegd. Ter zitting van de Raad is namens appellante nog gewezen op de lichamelijke en psychische klachten en heeft appellantes gemachtigde gesteld dat het niet aannemelijk is dat appellante meer dan drie of vier uur per dag zou kunnen werken.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. De Raad heeft in wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd - hetgeen grotendeels neerkomt op een herhaling van de reeds eerder aangevoerde gronden - geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 10 april 2008, onder verwijzing naar de Standaard Verminderde Arbeidsduur, gemotiveerd waarom zij het niet noodzakelijk heeft geacht om een urenbeperking aan te nemen. In reactie op de in hoger beroep overgelegde brief van de KNO-arts heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 31 augustus 2009 opgemerkt dat hierin geen nieuwe medische feiten staan die, waren zij bekend geweest ten tijde van de gevalsbehandeling, tot een ander oordeel zouden hebben geleid.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag van het besluit van 25 april 2008 berust op een zorgvuldig onderzoek en dat de bezwaarverzekeringsarts, die blijkens het rapport van 10 april 2008 op de hoogte was van de verschillende klachten van appellante, voldoende heeft onderbouwd dat er geen aanleiding is om een urenbeperking aan te nemen.

6.2. Ervan uitgaande dat de beperkingen van appellante aldus niet zijn onderschat, staat voor de Raad, gelet op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige M. Prosée van 15 februari 2007, genoegzaam vast dat appellante ten tijde hier van belang in staat was te achten de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

6.3. Uit hetgeen onder 6.1 en 6.2 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R. Kruisdijk en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2010.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) D.E.P.M. Bary.

IvR