Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0716

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
12-04-2010
Zaaknummer
09-500 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering. Evenals de rechtbank heeft de Raad in de voorliggende stukken onvoldoende aanknopingspunten gevonden om tot de conclusie te komen dat de bevindingen van de bva tot onjuiste of niet naar behoren onderbouwde conclusies hebben geleid. De bva heeft de bevindingen van de psycholoog op juiste wijze betrokken bij zijn onderzoek. Dat in het verzekeringsgeneeskundig protocol angststoornissen in algemene bewoordingen staat vermeld dat ook in het geval van een paniekaanval de concentratie verstoord kan raken, betekent niet per definitie dat ook in het specifieke geval van appellante een (structurele) beperking op het concentreren van de aandacht had moeten worden aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/500 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 december 2008, 08/4364 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.A. Timmer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 februari 2010 heeft appellante diverse medische stukken ingediend, waarop het Uwv bij wijze van reactie een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 15 februari 2010 in de procedure heeft gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Timmer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was laatstelijk werkzaam als kamermeisje in een hotel. Op 17 januari 2000 is zij voor die werkzaamheden uitgevallen wegens psychische klachten. Met ingang van 1 maart 2001 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is appellante onderzocht door een verzekeringsarts, die de voor appellante geldende beperkingen bij het verrichten van arbeid heeft vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Na onderzoek door een arbeidsdeskundige heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante bij besluit van 15 oktober 2007 per 16 december 2007 ingetrokken omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 15%. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2. Het Uwv heeft, na medisch en arbeidskundig onderzoek te hebben verricht, bij besluit van 27 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zij geen aanleiding zag voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig is te achten of om het medisch oordeel van die artsen onjuist te achten. De rechtbank kon instemmen met de in de FML vastgestelde psychische beperkingen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies voor appellante in medisch opzicht passend zijn te achten.

4. In hoger beroep heeft appellante - kort samengevat - aangevoerd dat haar psychische belastbaarheid is overschat. Er is sprake van een ernstiger depressie dan waar de bezwaarverzekeringsarts vanuit is gegaan. Voorts is er ten onrechte geen rekening gehouden met de bij appellante geconstateerde posttraumatische stresstoornis (PTSS) en is niet gemotiveerd waarom er geen beperking meer is aangenomen op onder meer het aspect ‘concentreren van de aandacht’. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante diverse medische stukken ingebracht.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Op basis van dossierstudie, het besprokene op de hoorzitting en medische gegevens van derden, waaronder informatie van de destijds behandelend psycholoog van appellante, A. Biharie van PsyQ, heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 3 april 2008 aangenomen dat bij appellante sprake is van een paniekstoornis met agorafobie en licht depressieve klachten. De door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid is naar het oordeel van deze bezwaarverzekeringsarts enigszins overschat en hij is overgegaan tot aanpassing van de FML en heeft daarin meer beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Voor het aannemen van een beperking op het aspect ‘concentreren van de aandacht’ heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gezien, omdat deze naar zijn oordeel eerst ontstaat bij ernstiger psychische stoornissen, waarvan bij appellante geen sprake is.

5.3. Evenals de rechtbank heeft de Raad in de voorliggende stukken onvoldoende aanknopingspunten gevonden om tot de conclusie te komen dat de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts tot onjuiste of niet naar behoren onderbouwde conclusies hebben geleid. Hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat haar beperkingen zijn onderschat heeft de Raad niet tot een andersluidend oordeel kunnen brengen. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts de bevindingen van psycholoog Biharie op juiste wijze heeft betrokken bij zijn onderzoek. In het bijzonder laat de Raad daarbij wegen dat Biharie in het intakeverslag van 17 december 2007 heeft vermeld dat sprake is van een lichte depressie, hetgeen door psychiater R. Rambharos van PsyQ op 3 april 2008 is herhaald en door de bezwaarverzekeringsarts is overgenomen. De Raad kan zich vinden in het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts zoals neergelegd in het rapport van 15 februari 2010, dat in de in hoger beroep ingebrachte medische gegevens van onder anderen de opvolgend psychiater van appellante geen aanwijzingen kunnen worden gevonden dat er rond de datum in geding bij appellante sprake was van een ernstiger depressie. Voorts kan de enkele stelling van appellante dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de door Rambharos daarnaast gestelde diagnose PTSS niet leiden tot de conclusie dat de belastbaarheid van appellante is overschat. Niet de gestelde diagnose is immers van doorslaggevende betekenis, maar de beperkingen voor het verrichten van arbeid. De Raad ziet in de voorhanden zijnde medische gegevens geen objectieve aanwijzingen dat uitsluitend op basis van de diagnose PTSS er meer, dan wel zwaardere beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De Raad is voorts van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende gemotiveerd heeft waarom er geen beperking is aangenomen op onder meer het aspect ‘concentreren van de aandacht’. De beschikbare medische gegevens geven daartoe onvoldoende aanleiding. Dat in het verzekeringsgeneeskundig protocol angststoornissen in algemene bewoordingen staat vermeld dat ook in het geval van een paniekaanval de concentratie verstoord kan raken, betekent niet per definitie dat ook in het specifieke geval van appellante een (structurele) beperking op het concentreren van de aandacht had moeten worden aangenomen.

5.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad voorts van oordeel dat de (resterende) functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt.

5.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.

(get.) T. Hoogenboom

(get.) T.J. van der Torn.

IvR