Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
09-04-2010
Zaaknummer
08-2473 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad oordeelt dat de uitleg van de rechtbank van artikel 2 van het Samenloopbesluit kinderbijslag zich niet verdraagt met artikel 10, aanhef en onder b, van de AKW. Ingevolge deze bepaling wordt de voor betrokkene krachtens rechterlijke uitspraak verplicht gestelde bijdrage in het levensonderhoud van de dochter, voor de toepassing van artikel 7 van de AKW, aangemerkt als een door haar moeder in het onderhoud van de dochter geleverde bijdrage. Dit brengt in de gegeven omstandigheden mee dat de dochter in belangrijke mate door haar moeder wordt onderhouden. Dit betekent evenzeer dat betrokkene de dochter niet in belangrijke mate onderhoudt, zodat ook geen sprake is van een situatie van samenloop in de zin van artikel 18, vijfde lid, van de AKW.

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet
Algemene Kinderbijslagwet 10
Algemene Kinderbijslagwet 18
Samenloopbesluit kinderbijslag
Samenloopbesluit kinderbijslag 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2473 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 maart 2008, 07/2259 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 24 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J Groenendaal. Betrokkene is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Betrokkene heeft kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd voor zijn dochter [naam dochter], geboren [in] 1993. Daarbij heeft betrokkene aangegeven dat zijn dochter met ingang van 7 januari 2006 in een pleeggezin woont en dat hij bijdraagt in haar onderhoud. Voorafgaand aan de plaatsing in het pleeggezin woonde [naam dochter] bij haar moeder [naam moeder], die toen ook kinderbijslag voor [naam dochter] ontving.

1.3. Bij beslissing op bezwaar van 30 mei 2007 heeft appellant de weigering van kinderbijslag aan betrokkene ten behoeve van [naam dochter] gehandhaafd. Daarbij is aangegeven dat voor een kind dat niet thuis woont enkelvoudige kinderbijslag kan worden toegekend indien ten minste € 386,-- per kwartaal, en met ingang van het vierde kwartaal van 2006 € 393,-- per kwartaal, wordt bijgedragen in het onderhoud van het kind. Indien het kind ten opzichte van beide ouders uitwonend is en beide ouders aanspraak maken op kinderbijslag, omdat zij het kind in belangrijke mate onderhouden, wordt de kinderbijslag uitbetaald aan de ouder die niet door de rechtbank verplicht is gesteld het kind te onderhouden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 30 mei 2007 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, bepaald dat haar uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit en bepaald dat betrokkene met ingang van het eerste kwartaal 2006 kinderbijslag toekomt. De rechtbank heeft geoordeeld dat indien een kind ten opzichte van beide ouders (ex-echtgenoten) uitwonend is en de onderhoudsbijdragen van beide ouders gelijk zijn, degene die niet alimentatieplichtig is jegens het kind de kinderbijslag ontvangt. De rechtbank heeft deze uitleg van artikel 2 van het Besluit van 20 december 1991 ter voorkoming van samenloop van kinderbijslag (Stb. 1991, 756, hierna: Samenloopbesluit kinderbijslag) gebaseerd op de toelichting op deze bepaling. Nu uit de ter beschikking staande stukken geenszins blijkt dat de ouderbijdragen van beide ouders gelijk zijn heeft de rechtbank de maandelijkse bijdrage van betrokkene aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: LBIO) van € 113, 40 als onderhoudsbijdrage van betrokkene aangemerkt.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd en aangegeven dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 2 van het Samenloopbesluit kinderbijslag, de LBIO-bijdrage van betrokkene ten onrechte heeft aangemerkt als zijn onderhoudsbijdrage en ten onrechte het eerste kwartaal van 2006 in de beoordeling heeft betrokken. Appellant heeft aangegeven dat artikel 18, vijfde lid, van de AKW ziet op de situatie dat beide ouders recht hebben op kinderbijslag, waarbij de ene ouder het kind grotendeels en de andere ouder het kind in belangrijke mate onderhoudt en het kind niet tot het huishouden van een van hen behoort. In die situatie wordt de kinderbijslag betaald aan de ouder die het kind grotendeels onderhoudt. Artikel 2 van het Samenloopbesluit maakt vervolgens een uitzondering voor situaties waarin een van beide ouders alimentatieplichtig is. In dat geval wordt de kinderbijslag waarop de alimentatieplichtige ouder recht heeft niet uitbetaald. Appellant heeft gewezen op de toelichting van het Samenloopbesluit en op de wetsgeschiedenis van de AKW. De wetgever geeft de verzorgende ouder voorrang op de onderhoudende ouder. In alimentatiesituaties heeft de wetgever willen voorkomen dat de alimentatiegerechtigde moet bedelen bij de alimentatieplichtige om de kinderbijslag afgedragen te krijgen. Voor kinderen die bij de alimentatiegerechtigde ouder verblijven is het verzorgingsbeginsel geïntroduceerd en is het huidige artikel 10 van de AKW ingevoerd, op grond waarvan de bijdrage van de alimentatieplichtige ouder wordt toegerekend aan de alimentatiegerechtigde.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. [naam dochter] woont sinds 6 januari 2006 niet meer bij haar moeder maar bij een pleeggezin. Beide ouders maken aanspraak op kinderbijslag en betrokkene is op grond van een rechterlijke uitspraak gehouden bij te dragen in het levensonderhoud van [naam dochter].

4.3. Artikel 10 van de AKW luidt:

“Voor de toepassing van het bepaalde bij en krachtens de artikelen 7, 8 en 9 worden voor het bepalen van de mate waarin een kind door de verzekerde wordt onderhouden, bijdragen in het onderhoud van dat kind, geleverd door:

a. degene, met wie de verzekerde een huishouden vormt,

b. degene, met wie de verzekerde geen huishouden vormt, maar die krachtens overeenkomst of rechterlijke uitspraak verplicht is bijdragen te leveren voor levensonderhoud ten behoeven van dat kind, aangemerkt als door de verzekerde in het onderhoud van dat kind geleverde bijdragen.”

4.4. Artikel 18, vierde, vijfde en zesde lid, van de AKW luiden als volgt:

“4. Indien twee of meer personen waaronder één persoon tot wiens huishouden het kind behoort, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag voor eenzelfde kind hebben, wordt de kinderbijslag waarop degene recht heeft tot wiens huishouden het kind niet behoort, niet betaald.

5. Indien twee of meer personen over eenzelfde tijdvak recht hebben op kinderbijslag voor eenzelfde kind, in andere situaties dan bedoeld in het tweede en vierde lid, wordt betaald de kinderbijslag waarop degene recht heeft die de hoogste bijdrage in het onderhoud van dit kind levert. Aan de andere personen wordt geen kinderbijslag uitbetaald.

6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot situaties van samenloop, bedoeld in het tweede, vierde en vijfde lid, nadere en aanvullende regels worden gesteld waarbij van het vierde en vijfde lid kan worden afgeweken.”

4.5. De in artikel 18, zesde lid, van de AKW bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Samenloopbesluit kinderbijslag. Artikel 2 van het Samenloopbesluit kinderbijslag luidt als volgt:

“Indien voor een kind, dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind behoort tot een huishouden, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag bestaat voor twee personen van wie één persoon krachtens overeenkomst of rechterlijke uitspraak verplicht is bijdragen te leveren voor levensonderhoud ten behoeve van dat kind, wordt de kinderbijslag, waarop laatst bedoelde persoon recht heeft, niet betaald.”

4.6. De Raad is van oordeel dat de uitleg van de rechtbank van artikel 2 van het Samenloopbesluit kinderbijslag zich niet verdraagt met artikel 10, aanhef en onder b, van de AKW. Ingevolge deze bepaling wordt de voor betrokkene krachtens rechterlijke uitspraak verplicht gestelde bijdrage in het levensonderhoud van [naam dochter], voor de toepassing van artikel 7 van de AKW, aangemerkt als een door haar moeder in het onderhoud van [naam dochter] geleverde bijdrage. Dit brengt in de gegeven omstandigheden mee dat [naam dochter] in belangrijke mate door haar moeder wordt onderhouden. Dit betekent evenzeer dat betrokkene [naam dochter] niet in belangrijke mate onderhoudt, zodat ook geen sprake is van een situatie van samenloop in de zin van artikel 18, vijfde lid, van de AKW. De Raad is ten slotte van oordeel dat voor zover de toepassing van artikel 10, aanhef en onder b, van de AKW in de gegeven omstandigheden - waarin het kind noch tot het huishouden van de moeder, noch tot het huishouden van de vader behoort - al zou leiden tot een door de wetgever onvoorzien en onbedoeld effect, het primair op de weg van de wetgever ligt daar gevolgen aan te verbinden.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep van betrokkene ongegrond verklaren.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) W. Altenaar.

KR