Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0515

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2010
Datum publicatie
12-04-2010
Zaaknummer
09-5652 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor een huisbezoek bestond geen redelijke grond. Van belang is dat naar aanleiding van een volgende aanvraag om bijstand, aan appellant met ingang van 2 mei 2006 wel bijstand is toegekend. De Raad is van oordeel dat niet staande kan worden gehouden dat door het niet verschijnen van appellant op de afspraken op 26 en 28 april 2006 zodanige twijfel bestond over zijn woonsituatie, dat daardoor het recht op bijstand van hem niet kan worden vastgesteld. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5652 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2009, 08/5007

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2010. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 26 februari 2006 bij het Centrum voor Werk en Inkomen een aanvraag ingediend om bijstand. Bij besluit van 2 mei 2006, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 juni 2006, heeft het College deze aanvraag buiten behandeling gelaten wegens het niet verschijnen van appellant op afspraken bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI) op 26 en 28 april 2006.

1.2. Bij besluit van 29 juni 2006 heeft het College naar aanleiding van een nieuwe aanvraag aan appellant met ingang van 2 mei 2006 bijstand toegekend.

1.3. Bij uitspraak van 29 februari 2008, 06/3676, heeft de rechtbank het tegen het besluit van 8 juni 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.4. Bij besluit van 20 maart 2008 heeft het College het door appellant gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 oktober 2008, 08/1414, heeft de rechtbank het tegen het besluit van 20 maart 2008 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.5. Bij besluit van 5 november 2008 heeft het College, onder intrekking van het besluit van 2 mei 2006, de aanvraag van appellant om bijstand afgewezen. Daartoe is overwogen dat het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld, omdat appellant bij bezoek aan zijn woning niet thuis werd aangetroffen en hij niet heeft gereageerd op oproepen bij de DWI, waardoor zijn woonsituatie niet kan worden beoordeeld.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 5 november 2008 ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd het volgende.

3.1. In het kader van de behandeling van de aanvraag van appellant om bijstand heeft het College appellant tweemaal niet thuis aangetroffen en is appellant tweemaal niet verschenen op een uitnodiging voor een gesprek bij de DWI. Het College liet in die tijd in het kader van het project “Klant in Beeld” bij eenieder die een aanvraag om bijstand indiende een huisbezoek afleggen, teneinde de woonsituatie te beoordelen. De afspraken bij de DWI hadden ten doel, zo is ter zitting door het College meegedeeld, om te spreken over de woonsituatie van appellant en aansluitend een huisbezoek bij hem af te leggen.

3.2. Zoals het College ter zitting heeft erkend, bestond in het geval van appellant geen specifieke aanleiding om te twijfelen aan de door hem opgegeven woonsituatie en de in dat kader verstrekte gegevens. Voor een huisbezoek bestond dan ook geen redelijke grond. Voorts is van belang dat naar aanleiding van een volgende aanvraag om bijstand, aan appellant met ingang van 2 mei 2006 wel bijstand is toegekend. Onder deze omstandigheden is de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 14 augustus 2008 (LJN BE8935) van oordeel dat niet staande kan worden gehouden dat door het niet verschijnen van appellant op de afspraken op 26 en 28 april 2006 zodanige twijfel bestond over zijn woonsituatie, dat daardoor het recht op bijstand van hem niet kan worden vastgesteld.

3.3. Het voorgaande betekent dat de afwijzing van de aanvraag van bijstand op een onvoldoende draagkrachtige motivering berust, zodat het besluit van 5 november 2008 ten onrechte door de rechtbank in stand is gelaten. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak vernietigen, en, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het besluit van 5 november 2008 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en voorts het College opdragen opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen.

4. De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal op € 966,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 5 november 2008;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. de Blaeij.

CVG