Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0512

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
12-04-2010
Zaaknummer
08-2372 WWB + 08-2373 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Weigering bijzondere bijstand te verlenen. Geen sprake van het naderhand kunnen beschikken over in aanmerking te nemen middelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2372 WWB

08/2373 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 10 maart 2008, 07/403 en 07/404(hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (hierna: ISD) Noordenkwartier, lees: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Tellinga, werkzaam bij de gemeente Noordenveld.

II. OVERWEGINGEN

1. Zoals ook - onbestreden - in de aangevallen uitspraak is overwogen, zijn de in deze zaak door het dagelijks bestuur van de ISD Noordenkwartier genomen besluiten ten onrechte genomen op eigen naam. Gegeven de bekrachtiging door het College, dient thans het College als verwerende partij te worden aangemerkt. In deze uitspraak wordt in voorkomend geval onder College (mede) het dagelijks bestuur van de ISD Noordenkwartier verstaan.

2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellante ontving vanaf 4 juni 2003 bijstand, in 2004 naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In 2004 is appellante in loondienst werkzaam geweest. Er is daarbij te veel belasting ingehouden, omdat onvoldoende rekening werd gehouden met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het College heeft de netto-inkomsten van appellante in mindering gebracht op haar bijstandsuitkering.

2.2. De Belastingdienst heeft aan appellante over 2004 op basis van een voorlopige teruggaaf een alleenstaande ouderkorting van € 1.381,-- in maandelijkse termijnen betaald. Appellante had geen recht op deze korting, omdat zij vanaf 1 januari 2004 geen inwonend kind meer had. Het College heeft om deze reden bij de bijstandsverlening in 2004 geen rekening gehouden met de toegekende en uitbetaalde ouderkorting.

2.3. De Belastingdienst heeft appellante bij de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2004 van 10 juni 2005 een bedrag van € 806,-- in rekening gebracht. Daarbij is ten onrechte verstrekte alleenstaande ouderkorting verrekend met de terugbetaling van door niet-toepassing van andere heffingskortingen te veel betaalde belasting. Deze fiscale verrekening heeft ertoe geleid, dat appellante over 2004 een bedrag van € 592,-- meer heeft ontvangen dan de voor haar geldende bijstandsnorm.

2.4. Bij besluit van 9 augustus 2006 heeft het College met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB de kosten van bijstand over 2004 van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 375,--.

2.5. Met een tegen appellante uitgevaardigd dwangbevel van 13 juli 2006 heeft de Belastingdienst appellante gemaand tot betaling van een bedrag van € 260,--, zijnde een nog niet voldaan gedeelte van de hiervoor genoemde aanslag van 10 juni 2005 (€ 217,--) en de kosten van betekening van het dwangbevel (€ 43,--). Bij besluit van eveneens 9 augustus 2006 heeft het College de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor deze vordering afgewezen op de grond dat geen bijstand wordt verleend ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast.

2.6. Bij afzonderlijke besluiten van 5 april 2007 heeft het College de bezwaarschriften tegen de besluiten van 9 augustus 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College de wettelijke grondslag van het terugvorderingsbesluit gewijzigd in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - de beroepen tegen de besluiten van 5 april 2007 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. De gegrondverklaring van de beroepen berust op de overweging dat niet het dagelijks bestuur van de ISD Noordenkwartier, maar het College bevoegd was te beslissen op de bezwaren tegen de besluiten van 9 augustus 2006.

4. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand zijn gelaten.

5. De Raad komt ten aanzien van de terugvordering van de kosten van bijstand over 2004 (€ 375,--) tot de volgende beoordeling.

5.1. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB bepaalt dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen, voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken.

5.2. Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter van de bijstand. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB biedt dan ook een terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt kan tot terugvordering worden overgegaan.

5.3. Uit de onder 2.2 en 2.3 opgenomen feiten blijkt dat appellante in 2004 feitelijk over de haar - ten onrechte - verstrekte alleenstaande ouderkorting kon beschikken en dat pas achteraf is komen vast te staan dat appellante een deel van deze middelen door toepassing van andere haar toekomende heffingskortingen mocht behouden. Als gevolg hiervan heeft appellante over 2004 meer inkomsten gehad dan waarvan het College bij de bijstandsverlening over dat jaar is uitgegaan. Van het naderhand (kunnen) beschikken over in aanmerking te nemen middelen, in de zin van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB, is derhalve geen sprake, zodat het College aan deze bepaling niet de bevoegdheid kon ontlenen kosten van over 2004 te veel verleende bijstand terug te vorderen.

5.4. Uit hetgeen is overwogen onder 5.3 volgt dat het op de terugvordering betrekking hebbende besluit van 5 april 2007 niet op een deugdelijke (bevoegdheids)grondslag berust. Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend, zal de Raad, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van dat (vernietigde) besluit in stand zijn gelaten, en doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het College opdragen opnieuw op het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van 9 augustus 2006 te beslissen. Met het oog op de nadere besluitvorming wijst de Raad erop dat artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wel een grondslag zou kunnen bieden om de kosten van de over 2004 te veel verleende bijstand terug te vorderen, indien daaraan voorafgaand een herzienings- of intrekkingsbesluit op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB wordt genomen.

6. De Raad komt ten aanzien van de weigering bijzondere bijstand te verlenen voor de onder 2.4 genoemde vordering van de Belastingdienst tot de volgende beoordeling.

6.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van dat artikel genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt.

6.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag om bijzondere bijstand strekte tot verlening van bijstand ter aflossing van een nog openstaande schuld aan de Belastingdienst. De beschikbare gegevens bieden geen aanknopingspunten voor de vaststelling dat appellante ten tijde van het ontstaan van deze schuld en ook nadien niet beschikte over de middelen waarmee zij kon voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. De enkele door appellante aangevoerde omstandigheid dat zij weliswaar inkomsten uit arbeid genoot, aangevuld met een bijstandsuitkering, maar dat op die uitkering aflossingen uit een andere vordering werden ingehouden, maakt niet aannemelijk dat appellante ten tijde hier van belang over onvoldoende middelen beschikte om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien.

6.3. Dit betekent dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB in beginsel aan bijstandsverlening voor de onderhavige schuld aan de Belastingdienst in de weg staat. De Raad is voorts van oordeel dat het College niet bevoegd was om appellante met toepassing van artikel 49, aanhef en onder a of b, van de WWB niettemin bijstand te verlenen voor deze schulden. Van een afgewezen aanvraag om een schuldsanerings-krediet is immers niet gebleken en van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB is naar het oordeel van de Raad evenmin sprake.

6.4. Uit hetgeen onder 6.2 en 6.3 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 5 april 2007 betreffende de weigering bijzondere bijstand te verlenen in stand zijn gelaten, dient te worden bevestigd.

7. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 5 april 2007 betreffende de terugvordering van kosten van bijstand in stand zijn gelaten;

Draagt het College op opnieuw op het bezwaar van appellante tegen het terugvorderingsbesluit van 9 augustus 2006 te beslissen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken op 23 maart 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J.M. Tason Avila.

GdJ