Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0481

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
08-04-2010
Zaaknummer
09-1877 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling maximale duur van de ziektewetperiode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1877 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2009, 08/1549

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.B.A. Bol, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bol. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als medewerker financieel management bij een beursbedrijf gedurende 35 uur per week. Vanaf 1 september 2003 ontving zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Vanaf 6 december 2004 is appellante gedurende 20 uur per week gaan werken en per 1 januari 2006 gedurende 25 uur per week.

1.2. Op 25 april 2005 heeft appellante zich, vanuit de situatie dat zij een (gedeeltelijke) WW-uitkering ontving, ziek gemeld wegens rugklachten. Vanaf 25 april 2005 heeft zij een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen, aanvankelijk tot de hersteldverklaring per 13 juni 2005, maar later - na gegrondverklaring van haar beroep tegen de beëindiging - ongewijzigd voortgezet vanaf 13 juni 2005. Op 17 oktober 2006 heeft zij zich opnieuw vanuit de WW ziek gemeld en heeft zij vervolgens tot 27 oktober 2006 ziekengeld ontvangen.

1.3. Naar aanleiding van de ziekmelding van appellante op 13 november 2006, vanuit de situatie dat zij een gedeeltelijke WW-uitkering ontving, heeft het Uwv bij besluit van 23 april 2007 (besluit 1) aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 13 november 2006 recht had op ziekengeld en de hoogte daarvan vastgesteld op basis van het

WW-dagloon van € 42,19. Bij besluit van 23 april 2007 (besluit 2) heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat het recht op ziekengeld wordt beëindigd met ingang van 30 oktober 2008, omdat de maximale uitkeringsduur van 104 weken wordt bereikt.

1.4. Bij besluit van 13 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen besluit 1 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen besluit 2 gegrond verklaard, waarbij de beëindiging van het recht op ziekengeld in verband met de maximale uitkeringsduur van 104 weken is vastgesteld op 9 mei 2007.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv er terecht vanuit is gegaan dat appellante nog aanspraak had op een WW-uitkering voor tien uur per week, omdat zij met ingang van 1 januari 2006 gedurende de overige 25 uur per week arbeid verrichtte en dat de verlaging van het dagloon mitsdien rechtstreeks uit de wet volgt. Met betrekking tot het bereiken van de maximale uitkeringsduur op 9 mei 2007 heeft de rechtbank overwogen dat appellante daartegen geen beroepsgronden heeft gericht en dat zij daardoor ook niet is benadeeld, zodat dit onderdeel van het bestreden besluit onbesproken is gelaten.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij zich niet kan verenigingen met de einddatum 9 mei 2007 en dat de rechtbank daarover ten onrechte geen uitspraak heeft gedaan. Voorts heeft zij gesteld dat de ziekmelding per 13 november 2006 binnen vier weken na 27 oktober 2006 is gedaan, zodat sprake is van een doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf 25 april 2005.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Bij de vaststelling maximale duur van de ziektewetperiode is het Uwv uitgegaan van de begindatum 25 april 2005. De uitkering van ziekengeld heeft vervolgens ononderbroken geduurd tot 27 oktober 2006. Tegen het besluit van 7 november 2006 tot beëindiging van het recht op ziekengeld per 27 oktober 2006 heeft appellante geen bezwaar gemaakt, zodat dat besluit in rechte vaststaat. Bovendien heeft appellante ook op de door haar ingeleverde werkbriefjes in het kader van de WW aangegeven dat zij tot en met 26 oktober 2006 ziek is geweest en dat zij zich op 13 november 2006 opnieuw heeft ziek gemeld. Over de periode van 27 oktober 2006 tot 13 november 2006 heeft zij dan ook geen ziekengeld ontvangen. Nu op 13 november 2006 - derhalve binnen vier weken na de beëindiging van het recht op ziekengeld per 27 oktober 2006 - een nieuwe ziekmelding heeft plaatsgevonden, is geen nieuwe wachttijd gaan lopen, maar heeft het Uwv de maximale uitkeringsduur op grond van artikel 29, vijfde lid, van de ZW terecht vastgesteld op 9 mei 2007.

4.2. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.W. Schuttel en

C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Mostert.

IvR