Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0474

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
08-04-2010
Zaaknummer
09-491 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt in beginsel gevolgd. Geen aanleiding af te wijken van oordeel. De belasting van de bij de schatting betrokken functies blijft binnen de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, zoals neergelegd in het aan de hand van de conclusies van de deskundige aangepaste FML.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/491 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats]l (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 december 2008, 07/4268 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.H.J.M. de Bonth, advocaat te Boxtel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Als bijlagen daarbij waren gevoegd een rapport van bezwaarverzekeringsarts M. Carere, gedateerd 2 maart 2009 en een rapport van bezwaararbeidsdeskundige B. Altena, gedateerd 17 maart 2009.

Namens appellant is een schrijven van [naam D.], gedateerd 16 maart 2009, in het geding gebracht.

In reactie daarop heeft het Uwv een rapport van bezwaarverzekeringsarts Carere van 13 juli 2009 ingezonden.

Bij schrijven van 9 september 2009 heeft de Raad vragen gesteld aan het Uwv. Het Uwv heeft die vragen beantwoord bij brief van 28 september 2009 met als bijlage een rapport van bezwaararbeidsdeskundige Altena van 21 september 2009.

Bij faxbericht van 3 december 2009 heeft mr. J. Cortet, advocaat te Utrecht, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Cortet. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. Diekema.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is in augustus 2002 wegens klachten van de rechter schouder en spanningsklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als productiemedewerker. Met ingang van 18 augustus 2003 is hij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

2.1. Bij besluit van 13 april 2007 is appellants WAO-uitkering met ingang van 14 juni 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2.2. In bezwaar tegen dit besluit heeft appellant onder meer naar voren gebracht dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest, nu geen informatie is ingewonnen bij zijn huisarts en behandelend psychiater. Volgens zijn behandelaars zou hij onverminderd depressief zijn. Appellant acht zich als gevolg van zijn psychische klachten niet in staat tot het vervullen van de bij de schatting in aanmerking genomen functies. Daarnaast meent hij dat die functies evenmin passend zijn gelet op zijn opleiding en overige vaardigheden.

2.3. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts Carere een onderzoek ingesteld. Blijkens het daarvan opgestelde rapport van 7 september 2007 heeft genoemde arts, naast dossierstudie, ook informatie bij de curatieve sector ingewonnen. Carere heeft zich met de conclusies van de primaire verzekeringsarts kunnen verenigen.

2.4. Bezwaararbeidsdeskundige F. van den Berg heeft zich op basis van het door haar ingestelde onderzoek, waarvan deel uitmaakte nader overleg met de bezwaarverzekeringsarts, kunnen stellen achter de bevindingen en conclusies van de primaire arbeidsdeskundige inzake de voor appellant resterende arbeidsmogelijkheden.

3. Bij besluit van 10 oktober 2007, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 april 2007 ongegrond verklaard.

4. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant wederom aandacht gevraagd voor zijn diverse lichamelijke en psychische klachten. Hij is onverminderd depressief en daarnaast is sprake van een forse angstproblematiek, waarvoor hij onder behandeling is bij de Reinier van Arkelgroep. Hij acht zich niet in staat tot het verrichten van de aan de functies verbonden werkzaamheden. Appellant heeft de rechtbank verzocht een deskundige te benoemen. Ter onderbouwing van zijn opvatting heeft appellant een schrijven van 15 november 2007 van de behandelend psychiater Y. Güzelcan, verbonden aan de Reinier van Arkelgroep, ingezonden.

5.1. De rechtbank heeft in evenvermelde brief van psychiater Güzelcan van 15 november 2007, bezien in relatie tot de bevindingen van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, aanleiding gevonden psychiater N.J. de Mooij als deskundige te benoemen. In zijn door de rechtbank op 9 oktober 2008 ontvangen rapport komt deze deskundige tot de conclusie dat op de datum in geding sprake was van een lichte angststoornis, zonder een depressie in engere zin, bij een man die een sociaal machteloze indruk maakt, ziektegedrag vertoont en in zijn ziekterol bevestigd wordt door zijn omgeving. De Mooij kan zich verenigen met de door de verzekeringsartsen in aanmerking genomen beperkingen. Echter dient volgens de deskundige nog als beperking daaraan te worden toegevoegd dat appellant in verband met zijn angstklachten niet werkzaam moet zijn in kleine afgesloten ruimtes.

5.2. De rechtbank heeft onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad inzake het belang dat doorgaans, bijzondere omstandigheden daargelaten, toekomt aan het oordeel van een onafhankelijke door de rechter geraadpleegde deskundige, doorslaggevende betekenis toegekend aan de conclusies van deskundige De Mooij. De rechtbank heeft daarbij gelet op de wijze waarop de deskundige zijn onderzoek heeft verricht en op de inzichtelijke motivering van zijn bevindingen en conclusies. De door appellant ingebrachte informatie van de bedrijfsarts F.M. de Wit van 28 augustus 2008 leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu die informatie geen betrekking heeft op de datum in geding.

5.3. De rechtbank heeft zich aldus met de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), zoals deze door de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van de conclusies van De Mooij in beroep is aangepast met een extra beperking ten aanzien van het werken in kleine afgesloten ruimtes, kunnen verenigen.

5.4. Tevens heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Bezwaararbeidsdeskundige Altena heeft in overleg met de arbeidskundig analist vastgesteld dat in die functies geen sprake is van werken in een kleine afgesloten ruimte. Ook wat betreft de overige aspecten acht de rechtbank het standpunt juist dat de aan de functies verbonden belasting binnen de grenzen blijft van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid.

5.5. Wel heeft de rechtbank, nu de FML nog in de fase van het beroep is aangepast, waardoor ook een nadere motivering van de passendheid van de functies noodzakelijk was, aanleiding gevonden het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, eerste volzin, laatste zinsnede, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op hetgeen door haar overigens is overwogen en geoordeeld, zijn de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit door de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand gelaten.

6.1. Naar aanleiding van het door appellant ingestelde hoger beroep overweegt de Raad in de eerste plaats dat dit geacht moet worden uitsluitend betrekking te hebben op de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit.

6.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft doen aanvoeren vormt in essentie een herhaling van de in de eerdere fases van de procedure reeds naar voren gebrachte grieven.

6.3. De Raad ziet daarin geen aanknopingspunten gelegen om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Zoals ook door de rechtbank is overwogen, ligt in vaste rechtspraak van de Raad besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is ook aan de Raad niet kunnen blijken. De Raad neemt hierbij in de eerste plaats in navolging van de rechtbank in aanmerking dat deskundige De Mooij een zorgvuldig en uitgebreid onderzoek heeft ingesteld en zijn conclusies aan de hand van zijn onderzoeksbevindingen op inzichtelijke en overtuigende wijze heeft onderbouwd.

6.4. Voorts overweegt de Raad dat hij geen uitzondering op de hiervoor weergegeven hoofdregel gelegen ziet in de namens appellant in hoger beroep benadrukte omstandigheid dat het rapport van bedrijfsarts De Wit niet aan de deskundige De Mooij is voorgelegd en ook een door appellant in de procedure ingebrachte lijst van door hem gebruikte medicijnen niet ter kennis van de deskundige is gebracht. De Raad overweegt hierbij dat bedrijfsarts De Wit, naar blijkt uit diens rapport van 28 augustus 2008, op verzoek van de Sociale Dienst Bommelerwaard uitsluitend advies heeft uitgebracht over de somatische klachten van appellant. Overwegingen ten aanzien van onder meer psychologische en psychiatrische beperkingen zijn aldus door De Wit expliciet niet meegewogen. Tegen de achtergrond hiervan valt naar het oordeel van de Raad niet in te zien wat de meerwaarde zou zijn (geweest) van kennisname door de deskundige van de zienswijze van De Wit dat appellant, bezien vanuit louter lichamelijke aspecten, belastbaar is te achten met matig belastende arbeid.

6.5. Voor zover De Wit - niettemin - enige twijfel heeft laten doorklinken met betrekking tot de vraag of appellant in staat is tot het spelen van een enigszins normale rol in het dagelijks leven (de Raad begrijpt: inclusief de arbeidsrol), berust die twijfel op het door hem juist niet onderzochte psychiatrische toestandsbeeld van appellant. Ter zake daarvan acht de Raad zich afdoende voorgelicht door de bevindingen en conclusies van deskundige De Mooij. De Raad overweegt in dit verband ten slotte nog dat hij zich kan vinden in hetgeen bezwaarverzekeringsarts Carere in het rapport van 2 maart 2009 opmerkt over het belang dat voor de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling toekomt aan de rapportage van bedrijfsarts De Wit.

6.6. Voorts ziet de Raad evenmin een noodzaak aanwezig voor kennisname door de deskundige van de hiervoor bedoelde lijst met medicijnen. Uit het rapport van De Mooij komt immers naar voren dat hij bekend was met de door appellant gebruikte medicatie, in het bijzonder de medicatie die hij gebruikt voor zijn psychische klachten.

6.7. Tot slot staat ook voor de Raad, gelet op het geheel van de beschikbare gegevens van arbeidskundige aard, waaronder de diverse arbeidskundige rapporten, inbegrepen de rapporten van 17 maart 2009 en 21 september 2009, genoegzaam vast dat de belasting van de bij de schatting betrokken functies binnen de voor appellant vastgestelde belastbaarheid blijft.

6.8. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.W. Schuttel en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

get.) M. Mostert.

JL