Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0470

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
08-04-2010
Zaaknummer
09-1742 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Blijkens de FML bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn juist vastgesteld. Geen medische informatie in het geding gebracht om standpunt te onderbouwen dat medische beperkingen zijn onderschat. Ook in kader van WSW-herindicatie wordt uitgegaan van belastbaarheid gedurende een volledige werkweek. De belasting in de geduide functies overschrijdt de belastbaarheid van appellant niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1742 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 februari 2009, 07/1950 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010, waar appellant in persoon is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

M. van Leeuwen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Nadat appellant, die werkzaam was als slijper, zich op 27 januari 1999 met vermoeidheidsklachten en psychische klachten ziek had gemeld, is hem na afloop van de wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65 %. Appellant werd geschikt geacht voor het verrichten van fysiek licht en niet stresserend werk voor maximaal 20 uur per week.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 27 juni 2006 onderzocht door de verzekeringsarts P.L.H. van Klaveren, die een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft opgesteld. Deze arts achtte appellant geschikt voor het gedurende hele dagen verrichten van arbeid zonder veelvuldige afleiding, voorspelbaar en zonder veelvuldige deadlines/productiepieken, zonder hoog handelingstempo of veelvuldige storingen. Appellant is verder door deze arts beperkt geacht voor het omgaan met conflicten en samenwerken, duwen/trekken, tillen en dragen en kan hij niet werken in onregelmatige diensten. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige R.M. van Liefland op

27 maart 2007 rapport uitgebracht, waarna bij besluit van 28 maart 2007 de uitkering is ingetrokken met ingang van 29 mei 2007.

2. De bezwaarverzekeringsarts M. Bakker was blijkens haar rapport van 27 augustus 2007 van mening dat de FML ook beperkingen dient te bevatten in verband met de moeite van appellant om structuur vast te houden, het zich verliezen in details en snel het overzicht kwijt zijn en ook beperkingen voor het hanteren van emotionele problemen van anderen en het werken in de nacht. In verband hiermee is de FML op 28 augustus 2007 aangepast. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige H.J. van Heun op

24 september 2007 rapport uitgebracht, waarna het Uwv bij besluit van 28 september 2007 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 mei 2007 ongegrond heeft verklaard.

3.1. Tegen het besluit van 29 mei 2007, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant beroep bij de rechtbank ingesteld.

3.2. De rechtbank heeft het beroep in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij heeft, kort gezegd, de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

4. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat zijn beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn onderschat en in het bijzonder dat de in het verleden aangenomen urenbeperking ten onrechte is vervallen. Sedert eind 2006 heeft hij parttime werk in WSW-verband en dat werk houdt hij slechts met moeite vol. Hij is niet in staat daarnaast zijn huishouden te doen en zichzelf te verzorgen, laat staan dat hij een volledige baan aan zou kunnen. Appellant heeft ter zitting van de Raad uiteengezet dat zijn psychische klachten in de vorm van angstaanvallen en slaapstoornissen zijn ontstaan naar aanleiding van gebeurtenissen die hem in zijn jeugd zijn overkomen. De hieruit voortvloeiende beperkingen, naast die uit zijn persoonlijkheidsstoornis, zijn door het Uwv onderschat. Een nader psychiatrisch onderzoek zou dat kunnen aantonen. Er is verder geen rekening gehouden met zijn ernstige diarree en het daardoor optredende tekort aan vitamines en mineralen. Appellant meent voorts dat de functie van machinaal metaalbewerker te gevaarlijk voor hem is wegens zijn concentratiegebrek en dat de belasting in de functie van monteur kozijnen, kisten en pallets op een aantal punten boven zijn in de FML vastgelegde belastbaarheid uit gaat.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Naar het oordeel van de Raad valt uit de gedingstukken van medische aard niet af te leiden dat de bij appellant blijkens de FML bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid onjuist zijn vastgesteld. De Raad deelt dan ook het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een juiste medische grondslag en hij onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd merkt de Raad nog het volgende op.

5.1.1. Zoals bezwaarverzekeringsarts Bakker in haar rapport van 27 augustus 2007 heeft gesteld was er bij appellant in het verleden, naast de ook thans nog bestaande ongedifferentieerde somatoforme stoornis en persoonlijkheidsstoornis, sprake van een depressie. Om die reden werd een duurbeperking van toepassing geacht. Op de thans in geding zijnde datum waren er echter geen tekenen meer van depressie.

Ook bij de WSW-herindicatie van eind 2007/begin 2008 is geen aanleiding gezien af te wijken van de conclusie van de betreffende verzekeringsarts dat appellant gedurende een volledige werkweek belastbaar is. Bij deze herindicatie is rekening gehouden met het feit dat appellant sedert 30 november 2006 voor 28 uur per week in WSW-verband werkzaam is en dat dit niet tot grote problemen aanleiding heeft gegeven.

Met de omstandigheid dat appellant naast het werk ook nog de zorg heeft voor een eigen huishouden mag bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen rekening worden gehouden. Overigens krijgt appellant hiervoor begeleiding van een PIT-verpleegkundige.

5.1.2. Appellant was ten tijde in geding niet onder medische behandeling en hij gebruikte geen medicijnen. Appellant erkent dat geen vitaminetekort bij hem is vastgesteld. Hij heeft in beroep noch in hoger beroep medische informatie in het geding gebracht om zijn standpunt te onderbouwen dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. De Raad heeft geen aanknopingspunten tot twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit. Om deze reden ziet hij geen aanleiding een deskundige te benoemen teneinde de Raad van verslag en advies te dienen.

5.2. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad niet gebleken dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van appellant overschrijdt. Appellant heeft geen beperkingen op het gebied van concentreren en verdelen van de aandacht en evenmin voor het werken op gevaaropleverende plaatsen.

Blijkens de weergave van de functiebelasting in de functie van monteur kozijnen, kisten en pallets blijft de belasting op de door appellant genoemde punten onder de belastbaarheid van appellant. De Raad acht voorts met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapporten voldoende toegelicht waarom de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

6. Hetgeen in 5.1 tot en met 5.2 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en

C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

KR