Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0466

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
08-04-2010
Zaaknummer
08-6616 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Zijn arbeid. Geschiktheid voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO. Geen nieuwe nog niet eerder onderkende medische gegevens. Hoewel de diagnose fibromyalgie nieuw lijkt, dient deze te worden gerelateerd aan de eerdere vaststelling dat sprake is van een somatoforme pijnstoornis, waarvan het symptomencomplex nu door de reumatoloog wordt geduid als fibromyalgie. Uit de toekenning voor hulp in de huishouding blijkt niet dat appellante volledig onvermogend is om te werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6616 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 oktober 2008, 08/450 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. E. Olof, advocaat te Zeist, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010. Voor appellante is verschenen mr. drs. Olof. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als bedrijfsadviseur voor 32 uur per week toen zij per 27 september 1999 voor dit werk met lichamelijke en psychische klachten is uitgevallen. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd die destijds 52 weken bedroeg, heeft het Uwv haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Deze uitkering is, na een medische en arbeidskundige herbeoordeling in 2005, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellante ontving daarnaast een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Vanuit deze situatie heeft appellante zich per 26 februari 2007 ziek gemeld met depressieve klachten en migraine- en whiplashklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante meerdere malen het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, voor het laatst op 15 juni 2007 in het kader van een WAO-beoordeling. De verzekeringsarts O.L. Zuiderhoek is tijdens dit spreekuur na onderzoek tot de conclusie gekomen dat bij appellante geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de eerdere WAO-beoordeling. Bij besluit van 22 oktober 2007 heeft het Uwv appellante vervolgens – onder verwijzing naar de bevindingen van de verzekeringsarts Zuiderhoek – meegedeeld dat zij met ingang van 25 oktober 2007 geschikt wordt geacht voor de in het kader van de eerdere WAO-beoordeling voorgehouden functies en dat zij dientengevolge vanaf 25 oktober 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Het tegen dit besluit gerichte bezwaar van appellante is, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal, bij besluit van 14 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet op de diagnose fibromyalgie is ingegaan, nu de hieruit voortvloeiende klachten zijn verergerd na de laatste WAO-beoordeling. Ter onderbouwing heeft appellante een indicatiebesluit van 18 september 2008 voor ondersteunende begeleiding van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) en een toekenning van 28 november 2008 voor hulp in de huishouding in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO), overgelegd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Van geschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

4.4. De Raad is van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts Admiraal onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daarbij tekent de Raad aan dat de bezwaarverzekeringsarts appellante op het spreekuur van 18 december 2007 heeft onderzocht en bij de beoordeling ook de beschikking had over de informatie van de gynaecoloog, psychiater, uroloog, anesthesioloog en de maag-, darm- en leverarts. Tevens heeft Admiraal informatie opgevraagd bij de behandelend psycholoog van appellante, die door hem op 3 januari 2008 is ontvangen. Op grond van deze informatie en eigen onderzoek is Admiraal tot de conclusie gekomen dat de klachten van appellante niet qua aard en ernst zijn toegenomen, maar eerder door de behandelingen van de pijnpoli en nieuwe pijnstillers zijn afgenomen. Met de onverminderd lage psychische spankracht is bij de eerdere WAO-beoordeling in 2005 al rekening gehouden. Appellante moet volgens de bezwaarverzekeringsarts dan ook in staat worden geacht om de destijds geselecteerde functie van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie te verrichten, nu dit een fysiek lichte, goed gestructureerde en stressarme functie betreft. Ten aanzien van de in beroep overgelegde informatie van verschillende specialisten, is de Raad, gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel van 7 augustus 2008, van oordeel dat deze geen nieuwe nog niet eerder onderkende medische gegevens bevat. Hoewel de diagnose fibromyalgie nieuw lijkt, dient deze te worden gerelateerd aan de eerdere vaststelling dat sprake is van een somatoforme pijnstoornis, waarvan het symptomencomplex nu door de reumatoloog wordt geduid als fibromyalgie, aldus de bezwaarverzekeringsarts. De in hoger beroep overgelegde stukken in het kader van de WMO en het CIZ kunnen naar het oordeel van de Raad niet leiden tot een ander oordeel nu, gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van Bockwinkel van 14 december 2009, uit de toekenning voor hulp in de huishouding niet blijkt dat appellante volledig onvermogend is om te werken. Daarbij merkt de Raad nog op dat zowel de toekenning in het kader van de WMO als het indicatiebesluit van het CIZ ziet op een periode ver na de datum hier in geding, te weten 25 oktober 2007.

4.5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden het recht op ziekengeld van appellante met ingang van 25 oktober 2007 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.W. Schuttel

en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Mostert.

EK