Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0260

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
09-4239 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Voldoende medische grondslag. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad met betrekking tot de medische kant van de zaak niet tot een ander oordeel gebracht. De Raad ziet geen reden om een deskundige te raadplegen. De arbeidskundige kant van de zaak is eerst in hoger beroep voldoende toegelicht. Nu deze toelichting eerst in hoger beroep is gegeven zal de Raad de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4239 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 juni 2009, 08/928 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2010. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn adviseur J. Moorman, werkzaam bij Adviesbureau Moorman. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P. Belopavlovic.

Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen te reageren op de door appellant overgelegde MRI-scan en een nadere arbeidskundige toelichting te geven.

Bij schrijven van 26 januari 2010 heeft het Uwv een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 18 januari 2010 en een rapport van 26 januari 2010 van de bezwaararbeidsdeskundige overgelegd.

Beide partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is werkzaam geweest als schoonmaker. Op 15 maart 2006 heeft hij zich ziek gemeld ten gevolge van een bedrijfsongeval.

1.2. Bij besluit van 1 april 2008 heeft het Uwv meegedeeld dat hij geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.3. Bij besluit op bezwaar van 16 september 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsarts de beperkingen van appellant niet juist heeft vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant onderzocht tijdens een spreekuur, informatie opgevraagd met betrekking tot de WSW-beoordeling en psychiatrisch onderzoek laten verrichten. Naar aanleiding daarvan heeft zij de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangepast. Appellant heeft in beroep geen (nieuwe) medische gegevens ingezonden die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de FML. Voorts is niet gebleken dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van appellant, wat betreft het arbeidskundige aspect, niet op goede gronden zou berusten.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de bedrijfsarts en de (bezwaar)verzekeringsarts het oneens zijn en dat hij op de WSW-wachtlijst staat. Hij heeft ook psychische klachten. Een second opinion is nodig. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij een rapport van een MRI-onderzoek in Duitsland overgelegd.

4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad met betrekking tot de medische kant van de zaak niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De in hoger beroep overgelegde informatie betreffende het MRI-onderzoek in Duitsland leidt evenmin tot een andere conclusie. Zoals de (bezwaar)verzekeringsarts terecht heeft overwogen bevat deze informatie geen (nieuwe) tekenen van ziekte of gebrek aangezien bij dit onderzoek geen opvallende bevindingen zijn gedaan. De Raad ziet dus ook geen reden om een deskundige te raadplegen.

4.2. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de zaak overweegt de Raad het volgende. In hoger beroep heeft de bezwaararbeidsdeskundige in overleg met de bezwaarverzekeringsarts de geduide functies nogmaals beoordeeld op het aspect reiken. Daarbij is gebleken dat de functie productiemedewerker textiel, geen kleding, (SBC-code 272043) voor appellant een te zware belasting heeft op het punt reiken met links. Met betrekking tot de drie resterende functies wikkelaar (267050), elektronicamonteur (267040) en productiemedewerker industrie (111180) heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 26 januari 2010 toegelicht dat de belasting van reiken valt binnen de mogelijkheden van appellant. De Raad acht deze toelichting voldoende. Nu deze toelichting eerst in hoger beroep is gegeven zal de Raad de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand laten.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,= voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 4,05 aan reiskosten in beroep en € 27,26 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 675,31.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 675,31;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 149,= vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2010.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR