Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0077

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
06-04-2010
Zaaknummer
09-463 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor een medische urenbeperking. De bezwaarverzekeringsarts Blanker heeft zich afgevraagd in hoeverre bij appellante sprake is van een medische noodzaak tot het stellen daartoe en die vraag ontkennend beantwoord. Daarbij is onder ogen gezien in hoeverre een gebrek aan conditie bij appellante een rol speelt. Voor zover appellantes wens tot een medische urenbeperking voortvloeit uit het door haar ondervonden gebrek aan conditie wijst de Raad erop dat dit zonder onderliggend medisch substraat geen reden voor een urenbeperking kan vormen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/463 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 december 2008, 07/8650 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.L. Gijsberts, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 februari 2010 heeft appellante een rapport van 9 september 2009 doen inzenden van de internist T. Wijlhuizen, verbonden aan het VermoeidheidCentrum Nederland B.V.

Het Uwv heeft hierop gereageerd door inzending van een tweetal rapporten van medische en arbeidskundige aard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gijsberts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft medio 2000 haar in een omvang van 24 uur per week verrichte werkzaamheden van verkoopster op de kinderafdeling van [naam werkgever] gestaakt vanwege pijn- en vermoeidheidsklachten. Nadien ontstonden ook psychische klachten. Na ommekomst van de toentertijd wettelijke wachttijd van 52 weken is aan haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Het Uwv heeft na herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante bij besluit van 4 juni 2007 de WAO-uitkering met ingang van 16 juli 2007 ingetrokken, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt. Het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 1 november 2007 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante weliswaar beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van deze beperkingen geschikt is voor werkzaamheden verbonden aan de voor haar geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met het maatmaninkomen levert volgens het Uwv een verlies aan verdiencapaciteit op van minder dan 15%.

2.1. De rechtbank is na ontvangst van inlichtingen van de behandelend reumatoloog van appellante tot de conclusie gekomen dat uit de beschikbare gegevens niet valt af te leiden dat bij de behandelende sector een beredeneerd afwijkend idee bestaat over de beperkingen van appellante ten tijde hier in geding. Mede in verband hiermee heeft de rechtbank het inwinnen van een medisch deskundigenadvies voor haar oordeelsvorming niet noodzakelijk geacht.

2.2. Voor het aannemen van een medische urenbeperking, zoals door appellante wordt gewenst, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts een dergelijke urenbeperking niet noodzakelijk heeft geacht. Voorts heeft de rechtbank daarbij in aanmerking genomen dat de door appellante ondervonden belasting door de begeleiding van haar jongste zoon in de thuissituatie in het kader van de WAO niet mag worden meegewogen, omdat in het kader van het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip slecht de medisch objectiveerbare beperkingen van de verzekerde zelf een rol spelen.

2.3. Ten aanzien van de aan de schatting ten grondslag liggende functies heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht de daaraan verbonden werkzaamheden per 16 juli 2007 te verrichten.

2.4. De rechtbank heeft daarop geoordeeld dat de WAO-uitkering van appellante terecht is ingetrokken. Het beroep van appellante is ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het aannemen van een medische urenbeperking. Daarbij is gewezen op de uit het dagverhaal van appellante blijkende energetische beperkingen als gevolg van haar chronische vermoeidheidsklachten en haar inslaapproblemen. Voorts heeft zij gewezen op de opvatting van haar behandelend reumatoloog dat appellante haar conditie dient te verbeteren. Appellante acht het onbegrijpelijk dat de rechtbank de behandeling van haar zaak niet heeft willen aanhouden voor nadere informatie, nu de haar behandelend revalidatiearts kennis heeft over de conditie van appellante en de vraag zal kunnen beantwoorden of zij ook energetische beperkingen heeft. Ten slotte heeft appellante gewezen op het door haar ingebrachte rapport van 9 september 2009 van de internist T. Wijlhuizen.

3.2. Het Uwv heeft in reactie hierop een rapport van 9 februari 2010 van de bezwaarverzekeringsarts R. Blanker ingezonden. Deze is van oordeel dat het rapport van de internist Wijlhuizen geen aanleiding geeft voor wijziging van de conclusies met betrekking tot appellantes belastbaarheid. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige bij rapport van 15 februari 2010 na op die dag plaatsgevonden overleg met de bezwaarverzekeringsarts een aanvullende motivering gegeven ter verduidelijking van de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag liggende functies.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor een medische urenbeperking.

4.2.2. De bezwaarverzekeringsarts Blanker heeft, naar aan zijn rapport van 10 oktober 2007 valt te ontlenen, zich afgevraagd in hoeverre bij appellante sprake is van een medische noodzaak tot het stellen daartoe. Hij heeft - uitvoerig gemotiveerd - die vraag in het geval van appellante ontkennend beantwoord. Daarbij is onder ogen gezien in hoeverre een gebrek aan conditie bij appellante een rol speelt.

4.2.3. Aan de overige beschikbare gegevens, waaronder begrepen het rapport van de internist Wijlhuizen, ontleent de Raad geen aanwijzingen dat een urenbeperking medisch noodzakelijk is. Voor zover appellantes wens tot een medische urenbeperking voortvloeit uit het door haar ondervonden gebrek aan conditie wijst de Raad erop dat dit zonder onderliggend medisch substraat geen reden voor een urenbeperking kan vormen.

4.3. De beroepsgrond van appellante dat de rechtbank niet tot haar oordeel had mogen komen zonder de informatie af te wachten van de behandelend revalidatiearts ziet de Raad niet slagen. De rechtbank heeft blijkens het proces-verbaal het onderzoek op de zitting van 13 juni 2008 geschorst teneinde appellante in de gelegenheid te stellen nadere medische gegevens in te dienen. Van die gelegenheid heeft appellante metterdaad gebruik gemaakt door bij brief van 11 september 2008 een schrijven van 22 juli 2008 van haar behandelend reumatoloog in te zenden. In die brief heeft appellante aan de rechtbank verzocht om een deskundige te benoemen, waarbij gedacht werd aan een revalidatiearts. Voorts heeft appellante in deze brief gemeld dat appellante inmiddels onder behandeling was van een revalidatiearts die haar had verwezen naar een neuroloog. Een verzoek om de zaak aan te houden totdat informatie van de revalidatiearts beschikbaar was leest de Raad in deze brief niet. Ook aan het proces-verbaal van de zitting van 27 november 2008 valt niet te ontlenen dat appellante dit verzoek heeft gedaan. Reeds om deze reden kan de rechtbank niet verweten worden dat zij de zaak niet heeft aangehouden. De Raad stelt overigens vast dat ook in hoger beroep, ondanks dat daartoe ruimschoots de gelegenheid is geweest, informatie van de behandelend revalidatiearts niet is ingezonden, zodat daarmee, wat daar verder van zij, geen rekening kan worden gehouden.

4.4. Ook overigens onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.

4.5. Het is de Raad niet gebleken dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies in medisch opzicht niet geschikt zijn. Ook in dit opzicht wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven.

5. De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

JL