Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0072

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
06-04-2010
Zaaknummer
09-652 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Sociale omstandigheden spelen geen rol spelen bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid. Er resteren voldoende passende functies om de schatting te kunnen dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/652 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2008, 08/1590 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door een tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitvoerige weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 28 november 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant per 28 januari 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

1.3. Bij besluit van 5 maart 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 28 november 2007 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Ten aanzien van de medische grondslag heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit niet onzorgvuldig of onvolledig is, dat appellant zijn stelling dat hij als gevolg van rugklachten voor meer dan 50% arbeidsongeschikt is, niet met medische stukken heeft onderbouwd en dat in voldoende mate rekening is gehouden met appellants rugklachten. Daarnaast heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3. In hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn huidige situatie en met zijn rugklachten.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische informatie overgelegd waaruit volgt dat verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Ten aanzien van appellants beroepsgrond dat geen rekening is gehouden met zijn huidige situatie, waarbij appellant duidt op de verzorging van zijn gehandicapte zoon en zijn zieke vrouw, overweegt de Raad dat het door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 27 februari 2008 ingenomen standpunt, dat sociale omstandigheden geen rol spelen bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid, niet voor onjuist kan worden gehouden.

4.3. Ten aanzien van de functie productiemedewerker metaal- en elektro-industrie (SBC-code 111171) overweegt de Raad dat deze functie, gelet op de in deze functie voorkomende belasting ten aanzien van het aspect staan, mogelijk niet geschikt is voor appellant. Echter,wat hier ook van zij, ook zonder deze functie resteren voldoende passende functies om de schatting te kunnen dragen.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

TM