Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0059

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
06-04-2010
Zaaknummer
09-2134 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk verklaring verzoek om schadevergoeding. Op basis van artikel 8:73a, eerste lid, van de Awb dient een verzoek om schadevergoeding te worden gedaan tegelijk met de intrekking van het hoger beroep. Om deze reden verklaart de Raad het verzoek van appellante niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2134 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:73a en artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2009, 07/1968 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.M. Voogt, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft op 16 december 2009 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 18 december 2009 heeft de gemachtigde van appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.

Op 28 januari 2010 heeft de gemachtigde van appellante het ingevulde formulier proceskosten aan de Raad geretourneerd en tevens verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Het Uwv heeft verweer gevoerd per brief van 11 februari 2010.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

In artikel 8:73a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt.

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.

Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

De Raad stelt vast dat het Uwv met de beslissing op bezwaar van 16 december 2009 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoet gekomen.

Nu het Uwv niet heeft betwist dat aldus aan appellante is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op

€ 805,- voor verleende rechtsbijstand in beroep, € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Met betrekking tot het verzoek van appellante tot vergoeding van de schade in verband met het overschrijden van de redelijke termijn, overweegt de Raad als volgt. Op basis van artikel 8:73a, eerste lid, van de Awb dient een verzoek om schadevergoeding te worden gedaan tegelijk met de intrekking van het hoger beroep. Om deze reden verklaart de Raad het verzoek van appellante niet-ontvankelijk.

De Raad merkt verder op dat uit artikel 22, vijfde lid, van de Beroepswet volgt dat appellante zich met een verzoek om vergoeding van het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht tot het Uwv kan wenden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 805,-;

Veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 322,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

Verklaart het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van Vos, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.

JL