Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0053

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
06-04-2010
Zaaknummer
08-6166 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn bij het verweerschrift van het Uwv gevoegde rapportage van 5 december 2008 uiteengezet dat van een chronisch vermoeidheidssyndroom geen sprake is (geweest). Dit is noch door de behandelend sector noch door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgesteld. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts er op gewezen dat er in het verleden nimmer een PTSS is gesteld. Appellant is niet betrokken geweest bij een ernstig trauma. Angst voor terugkeer van een doorgemaakte ernstige ziekte valt daar niet onder. Bovendien gaat PTSS gepaard met specifieke klachten en symptomatologie, welke appellant nooit heeft vertoond en die ook niet specifiek worden beschreven in de overgelegde brief van psycholoog Seddik. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding heeft gezien een deskundige te benoemen voor nader onderzoek van appellant, zoals is verzocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6166 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 september 2008, 08/664 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Kiela, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2010. Appellant is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 23 april 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant vanaf 27 december 2006 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt is te achten voor het verrichten van gangbare arbeid. Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van 17 september 2007 is vastgesteld op 9% en dat de hoogte en de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering niet wijzigt.

1.2. Bij besluit van 15 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft, samengevat weergegeven, geen reden gevonden om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig te achten. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van het Uwv met betrekking tot de medische beperkingen van appellant voldoende is onderbouwd. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat appellant zijn mening niet met medisch objectieve gegevens heeft ondersteund.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat hij meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen en dat hij zich niet in staat acht tot het verrichten van arbeid. Hij heeft te kampen met ernstige vermoeidheidsklachten na een behandeling van non-Hodgkin-lymfoom. Deze klachten zijn aan te merken als een chronisch vermoeidheidssyndroom, waarvoor ten minste een urenbeperking dient te worden aangenomen. Verder heeft hij te kampen met een Post Traumatische Stressstoornis (PTSS), waarvoor hij onder behandeling is. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij een schrijven van 10 oktober 2008 van drs. H. Seddik, psycholoog, in het geding gebracht.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. De medische grondslag van het bestreden besluit is gebaseerd op de conclusies van de verzekeringsarts en de door hem opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 13 augustus 2007. Bij het opstellen hiervan is rekening gehouden met de omstandigheid dat appellant is behandeld in verband met non-Hodgkin-lymfoom en dat hij is geopereerd aan een liesbreuk en voorts met de bij appellant bestaande vermoeidheidsklachten en spanningsklachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft de conclusies van de verzekeringsarts en de door die arts opgestelde FML bevestigd. Ondanks de vermoeidheidsklachten van appellant is de bezwaarverzekeringsarts van mening dat er geen indicatie is voor een urenbeperking. Niet valt in te zien waarom appellant in fysiek licht werk niet hele dagen werkzaam zou kunnen zijn.

4.2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn bij het verweerschrift van het Uwv gevoegde rapportage van 5 december 2008 uiteengezet dat van een chronisch vermoeidheidssyndroom geen sprake is (geweest). Dit is noch door de behandelend sector noch door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgesteld. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts er op gewezen dat er in het verleden nimmer een PTSS is gesteld. Appellant is niet betrokken geweest bij een ernstig trauma. Angst voor terugkeer van een doorgemaakte ernstige ziekte valt daar niet onder. Bovendien gaat PTSS gepaard met specifieke klachten en symptomatologie, welke appellant nooit heeft vertoond en die ook niet specifiek worden beschreven in de overgelegde brief van Seddik. Het Uwv ziet in navolging van de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd het ingenomen standpunt te wijzigen. De Raad onderschrijft deze conclusie. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding heeft gezien een deskundige te benoemen voor nader onderzoek van appellant, zoals is verzocht.

4.3. In de voorhanden zijnde arbeidskundige rapporten ziet de Raad voorts voldoende steun voor het oordeel dat de belasting in de aan appellant voorgehouden functies zijn belastbaarheid niet te boven gaat en dat deze functies daarmee voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1, 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) A.E. van Rooij.

IvR