Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0034

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
06-04-2010
Zaaknummer
08-5044 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geen medische informatie overgelegd waaruit volgt dat verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Met het toegenomen medicijngebruik hoefde het Uwv naar het oordeel van de Raad in het kader van de onderhavige beoordeling geen rekening te houden. Het Uwv heeft in overeenstemming met het BUS van deze drie gehanteerde SBC-codes de kleinste urenomvang (36 uur) aangehouden. Gelet op de omvang van appellants maatmanarbeid heeft dit geleid tot de toepassing van een reductiefactor van 0,95%. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de functieselectie naar het oordeel van de Raad volledig overeenkomstig stap 3 van het BUS uitgevoerd. De beroepsgrond dat het Uwv een verkeerde reductiefactor zou hebben toegepast, kan dan ook niet slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5044 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 juli 2008, 08/340 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.H.J.M. Dohmen, advocaat te Kerkrade, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Dohmen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitvoerige weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft het Uwv appellants uitkering uit hoofde van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 22 februari 2007 ongewijzigd voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.3. Bij besluit van 1 februari 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 2 oktober 2007 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Daarnaast heeft de rechtbank ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. In dat kader heeft de rechtbank geoordeeld dat de door het Uwv toegepaste reductiefactor van 0,95 juist is.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn eerder ingenomen standpunt, dat te weinig medische beperkingen zijn aangenomen, herhaald. Appellant heeft daaraan toegevoegd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn medicijngebruik. Daarnaast heeft appellant herhaald dat het Uwv een onjuiste reductiefactor heeft toegepast, nu bij het grootste deel van de functies sprake is van een urenomvang van ruim minder dan 38 uur.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische informatie overgelegd waaruit volgt dat verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen. In zijn rapportages van 14 januari 2008 en 2 februari 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat appellants medicatie, gelet op de lage frequentie en op het feit dat hij de medicijnen ’s avonds gebruikt, geen beperking vormt voor het verrichten van arbeid. De Raad onderschrijft deze analyse. Ter zitting heeft appellant bovendien aangegeven dat zijn medicijngebruik na de datum in geding is toegenomen. Met dit toegenomen medicijngebruik hoefde het Uwv naar het oordeel van de Raad in het kader van de onderhavige beoordeling geen rekening te houden.

4.3. Ten aanzien van de door het Uwv toegepaste reductiefactor is de Raad van oordeel dat het Schattingsbesluit, zoals dat ten aanzien van appellant van toepassing was, dwingt tot een selectie van functies die, zonodig met verdiscontering van de reductiefactor, resulteert in een zo groot mogelijke resterende verdiencapaciteit per uur. De Raad verwijst hier bijvoorbeeld naar zijn uitspraak van 3 februari 2004 (LJN: AO5192).

4.4. De Raad stelt vast, dat de omvang van appellants maatman 38 uur per week bedraagt en dat de geselecteerde functies een gelijke dan wel een geringere urenomvang kennen. Dit betekent dat de situatie als genoemd in stap 3 van de bijlage bij het Besluit Uurloonschatting 1999 (besluit van 11 februari 1999, Strct. 1999, 40, verder te noemen: het BUS) van toepassing is. De bezwaararbeidsdeskundige heeft blijkens zijn rapport van 21 januari 2008 aan de onderhavige schatting de functies schadecorrespondent (sbc-code 516080), telefonist, receptionist (sbc-code 315120) en gereedschapsmaker (sbc-code 264050) ten grondslag gelegd. De grootste urenomvang van de binnen deze SBC-codes geselecteerde functies bedraagt respectievelijk 36, 38 en 38 uur. Het Uwv heeft in overeenstemming met het BUS van deze drie gehanteerde SBC-codes de kleinste urenomvang (36 uur) aangehouden. Gelet op de omvang van appellants maatmanarbeid heeft dit geleid tot de toepassing van een reductiefactor van 0,95%. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de functieselectie naar het oordeel van de Raad volledig overeenkomstig stap 3 van het BUS uitgevoerd. De beroepsgrond dat het Uwv een verkeerde reductiefactor zou hebben toegepast, kan dan ook niet slagen.

4.5. Nu appellant naar het oordeel van de Raad, gelet op de vastgestelde medische beperkingen, ook in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies uit te oefenen, concludeert de Raad dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op juiste wijze heeft vastgesteld.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

TM