Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9956

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
09-4432 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Beperkingen zijn juist vastgesteld. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4432 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 juni 2009, 08/3068 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J.A. Vis, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2010. Appellant is verschenen, samen met zijn echtgenote. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving vanaf 1993 een WAO-uitkering. Bij besluit van 12 november 2007 heeft het Uwv deze uitkering per 24 augustus 2001 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.

1.2. Bij besluit van 20 juni 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant hiertegen deels gegrond verklaard. De mate van zijn arbeidsongeschiktheid bedraagt per 31 maart 2000 45-55%, per 22 september 2000 80-100% en de uitkering wordt eerst per 28 februari 2002 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen dat besluit gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv niet te geringe medische beperkingen bij appellant heeft vastgesteld. De informatie van de huisarts en de cardioloog is bij de beoordeling betrokken. De rechtbank heeft voorts geen aanknopingspunten gevonden om de geselecteerde functies niet voor appellant geschikt te achten. Aangezien pas in beroep de medische geschiktheid van die functies voldoende is toegelicht dient het bestreden besluit te worden vernietigd en kunnen de rechtsgevolgen daarvan in stand worden gelaten.

3. In hoger beroep heeft appellant hiertegen aangevoerd dat de rechtbank de gegevens van de cardioloog onjuist heeft geïnterpreteerd. Er is geen sprake van een stabiele situatie en hij moet rustig leven. Hij heeft er voorts op gewezen dat hij niet bij draaiende machines kan werken. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij brieven van zijn behandelend cardioloog overgelegd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens overgelegd die twijfel doen rijzen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De brieven van de behandelend cardioloog leiden niet tot de conclusie dat appellant meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Uit die brieven blijkt dat appellant een groot hartinfarct heeft gehad, tijdens de ergometrietest is geen sprake van bijzonderheden, er zijn geen aanwijzingen voor ischemie of dreigende vernauwingen in coronairen. De cardiale belastbaarheid kan enigszins beperkt worden. Naar het oordeel van de Raad is met deze gegevens in de Functionele Mogelijkheden Lijst voldoende rekening gehouden, onder andere door appellant beperkt te achten ten aanzien van hitte en koude, tillen en dragen, lopen, trappenlopen en staan. De door appellant genoemde akinesie apex komt pas in 2007 naar voren, ruim 5 jaar na de datum in geding, 28 februari 2002, zodat daarmee bij deze beoordeling geen rekening kan worden gehouden. Voorts is appellant aangewezen geacht op werk zonder persoonlijk risico, hetgeen vergelijkbaar is met de in het verleden aangenomen beperking voor gevaaropleverende omstandigheden zoals draaiende machines. In de appellant voorgehouden functies komen dergelijke gevaaropleverende omstandigheden niet voor.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2010.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) T.J. van der Torn.

CVG