Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9936

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
06-04-2010
Zaaknummer
09-3325 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen aanspraak op de gevraagde WW-uitkering. De Raad volgt met de rechtbank het standpunt van het Uwv dat onderschrijft dat appellant niet in dienst van de B.V. werkzaam is geweest, zodat hij op die grond geen recht heeft op overneming van betalingsverplichtingen ingevolge hoofdstuk IV van de WW. Derhalve kan de door het Uwv subsidiair gestelde grond tot blijvend gehele weigering van WW-uitkering op grond van een benadelingshandeling onbesproken blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3325 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 mei 2009, 08/419 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 11 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.P. Visser, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D. van Kampen, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Klaver, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in geding zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de op deze wet rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde in geding.

1.1. Op 17 maart 2006 is [naam B.V.] B.V. (hierna: de B.V.) opgericht, waarvan M.A.S. [H.] (hierna: [H.]) enig aandeelhouder en bestuurder was. In het handelsregister van de Kamer van Koophandel is appellant geregistreerd als algemeen directeur die alleen/zelfstandig bevoegd is. Volgens een op 28 februari 2006 opgemaakte arbeidsovereenkomst is appellant met ingang van 1 maart 2006 voor een periode van zes maanden bij de B.V. in dienst getreden in de functie van buitendienstmedewerker tegen een salaris van € 1.700,-- per maand. Volgens een arbeidsovereenkomst gedagtekend 1 september 2006 is appellant vanaf 1 september 2006 voor onbepaalde tijd bij de B.V. in dienst getreden in de functie van buitendienstmedewerker tegen een salaris van € 4.850,-- per maand en zal dat salaris ook over de maanden juni, juli en augustus worden uitbetaald. Op 14 september 2006 is de B.V. failliet verklaard. In verband met dit faillissement heeft appellant een aanvraag overname betalingsverplichtingen als bedoeld in hoofdstuk IV van de WW ingediend. Op het aanvraagformulier voor deze uitkering heeft appellant aangegeven dat zijn salaris tot en met 1 mei 2006 is doorbetaald.

1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het Uwv bij besluit van 1 december 2006 geweigerd aan appellant een voorschot te verlenen. Bij besluit van 21 december 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij geen recht heeft op een uitkering ingevolge hoofdstuk IV van de WW, omdat hij niet verzekerd is voor de WW. Bij besluit van 24 januari 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de beide primaire besluiten ongegrond verklaard. Het besluit van 21 december 2006 is gehandhaafd primair op de grond dat appellant niet verzekerd is ingevolge de WW; subsidiair heeft het Uwv de WW-uitkering blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellant een benadelingshandeling heeft gepleegd.

1.3. Bij uitspraak van 29 augustus 2007 heeft de rechtbank Leeuwarden het beroep van appellant tegen het besluit van 24 januari 2007 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zowel het primaire standpunt van het Uwv dat appellant geen werknemer is in de zin van de WW als het subsidiaire standpunt dat hem de faillissementsuitkering moet worden geweigerd op grond van een benadelingshandeling geen stand kan houden wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

1.4. Bij besluit van 21 december 2007 heeft het Uwv het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich onveranderd primair op het standpunt gesteld dat appellant niet in dienstbetrekking werkzaam is geweest omdat geen sprake was van een gezagsverhouding tussen hem en de B.V. Daarnaast heeft het Uwv ook de subsidiair gehanteerde grond om de uitkering blijvend geheel te weigeren gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 21 december 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv bij het besluit van 21 december 2007 geen zorgvuldige uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden, maar tevens dat het Uwv bij schrijven van 15 december 2008 dit motiveringsgebrek heeft hersteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht en op goede gronden geconcludeerd dat appellant niet als werknemer in de zin van de WW kon worden aangemerkt en daardoor geen aanspraak kon maken op de gevraagde WW-uitkering.

3. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank bestreden. Naar de mening van appellant heeft het Uwv bij besluit van 1 december 2006 ten onrechte geweigerd hem een voorschot op de uitkering ingevolge hoofdstuk IV van de WW te verstrekken. Voorts betwist appellant dat tussen hem en de B.V. geen gezagsverhouding heeft bestaan. Ten slotte bestrijdt appellant dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een benadelingshandeling.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad stelt vast dat het Uwv bij het besluit van 21 december 2007, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden, opnieuw heeft beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 december 2006. Appellant heeft opnieuw beroep ingesteld en het besluit op bezwaar van 21 december 2007 bestreden voor zover daarbij het besluit van 21 december 2006 is gehandhaafd. Aan de omstandigheid dat in het beroepschrift is aangevoerd dat bij het besluit van 21 december 2007 is bepaald dat appellant niet voor een voorschot in aanmerking komt en dat hij ook tegen deze beslissing bezwaar maakt, kan geen betekenis worden toegekend omdat het besluit van 21 december 2007 geen betrekking heeft op de weigering van het voorschot. Bovendien heeft appellant tijdens de beide procedures in eerste aanleg geen zelfstandige grieven aangevoerd tegen de weigering van het voorschot. De Raad is derhalve van oordeel dat de rechtbank zich bij de aangevallen uitspraak terecht heeft beperkt tot de vraag of het Uwv op goede gronden het besluit van 21 december 2006 heeft gehandhaafd. Daaruit vloeit voort dat de grieven die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd tegen de weigering van een voorschot op de uitkering ingevolge hoofdstuk IV van de WW geen bespreking behoeven.

4.2. Tussen partijen is primair in geschil of de voor het aannemen van een dienstbetrekking vereiste gezagsverhouding tussen appellant en de B.V. ontbrak. De Raad overweegt daarover het navolgende.

4.3. Voor het bestaan van een gezagsverhouding is de feitelijke situatie bepalend. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat voor de Raad vast dat de B.V. de voortzetting was van het bedrijf dat appellant onder de [naam gefailleerde B.V.] i.o. (hierna: [naam gefailleerde B.V.]) tot zijn faillissement op 26 januari 2006 heeft geëxploiteerd. In dit verband wijst de Raad op het faillissementsverslag van de curator van de B.V. van 17 juli 2007 waarin is gerapporteerd dat de onderneming beoogde de activiteiten van [naam gefailleerde B.V.] voort te zetten. De omstandigheid dat de B.V. niet alle activiteiten van [naam gefailleerde B.V.] heeft voortgezet, zoals appellant ter zitting heeft aangevoerd, kan daaraan niet afdoen. [H.] was destijds werkzaam in dienst van [naam gefailleerde B.V.] in de functie van binnendienstmedewerker en haar werkzaamheden bestonden, zoals zij heeft verklaard, uit administratieve ondersteuning, telefoon opnemen en klanten te woord staan. Voorts heeft [H.] verklaard dat appellant na het faillissement van [naam gefailleerde B.V.] met het idee is gekomen een nieuwe B.V. op te richten die op haar naam zou moeten komen omdat appellant vanwege zijn persoonlijk faillissement geen B.V. kon oprichten.

4.4. Uit de tot de gedingstukken behorende verklaringen van zakelijke relaties van de B.V., waaronder die van [naam relatie 1], [naam relatie 2] en [naam relatie 3], en de verklaringen van [naam voormalig werkneemster], werkneemster van de B.V., en [naam toenmalige vriendin], de toenmalige vriendin van appellant, komt eenduidig het beeld naar voren dat appellant, nadat hij persoonlijk failliet was verklaard, met de B.V. een doorstart heeft gemaakt van zijn bedrijf en dat hij binnen het bedrijf de leidinggevende rol is blijven vervullen. Dit beeld komt overeen met de verklaring van [H.] over de rol van appellant binnen de B.V. In dat verband acht de Raad veelzeggend dat [H.] heeft verklaard dat appellant gebruik maakte van haar creditcard en haar bankpas van de B.V. en dat hij aan haar geen verantwoording heeft afgelegd voor de opgenomen en bestede bedragen. Uit deze verklaringen blijkt eveneens dat appellant op eigen gezag contracten afsloot en daarover aan [H.] geen verantwoording heeft afgelegd en dat [H.], die nadien bij herhaling werd geconfronteerd met de ten behoeve van de B.V. aangegane verplichtingen, de taak had om ontevreden schuldeisers en deurwaarders te woord te staan. De Raad heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden dit beeld voor onjuist te houden. De verklaring van [J.R.] dat [H.] zich bemoeide met de dagelijkse leiding van [naam gefailleerde B.V.] acht de Raad onvoldoende om aan te nemen dat [H.] beleidsbepalend was binnen de B.V. Daartoe acht de Raad evenmin van belang dat [H.], die met geleend geld de boedel van [naam gefailleerde B.V.] van de curator in het faillissement van appellant had overgenomen, eind april/begin mei 2006 de radicale beslissing heeft genomen om de gehele inventaris en voorraden te verkopen nadat zij tot de conclusie was gekomen dat de ontstane problemen onoplosbaar waren geworden. De Raad gaat er, mede gelet op het in 4.3 genoemde faillissementsverslag, van uit dat de B.V. na de verkoop van de inventaris en de voorraden geen activiteiten meer heeft ontplooid. Bovendien heeft appellant opgegeven dat hij na 1 mei 2006 geen salaris heeft ontvangen.

4.5. Gelet op de ontstaansgeschiedenis van de B.V. en de bedrijfsvoering in de periode waarin de onderneming feitelijk activiteiten heeft uitgeoefend, zoals die uit de diverse verklaringen naar voren komt, zijn er naar het oordeel van de Raad voldoende aanwijzingen dat appellant feitelijk niet onder gezag van de B.V. werkzaam is geweest. Het door [H.] ten behoeve van appellant geschreven getuigschrift, een e-mail op naam van [H.] van 12 september 2006 aan de accountant met het verzoek om een specificatie van het loon van appellant over de maanden juni tot en met augustus en de brief van notaris mr. D.P. Postma aan de Kamer van Koophandel inzake de opdracht van [H.] om de B.V. op te richten vormen geen feiten en omstandigheden waaruit een feitelijke gezagsverhouding tussen de B.V. en appellant blijkt. Daartoe is evenmin van belang, zoals ter zitting is aangevoerd, dat de curator in het faillissement van de B.V. de arbeidsovereenkomst met appellant heeft opgezegd, omdat een dergelijke opzegging niet impliceert dat de curator erkent dat appellant in dienstbetrekking werkzaam was. De curator diende immers in het belang van de boedel zo spoedig mogelijk de lopende contracten op te zeggen en voor hem bestond, zoal mogelijk, geen noodzaak om de aard van de arbeidsrelatie vast te stellen.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat de Raad met de rechtbank het standpunt van het Uwv onderschrijft dat appellant niet in dienst van de B.V. werkzaam is geweest, zodat hij op die grond geen recht heeft op overneming van betalingsverplichtingen ingevolge hoofdstuk IV van de WW. Derhalve kan de door het Uwv subsidiair gestelde grond tot blijvend gehele weigering van WW-uitkering op grond van een benadelingshandeling onbesproken blijven.

4.7. De Raad komt derhalve tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.L.G. Boot.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

IJ