Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9933

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
06-04-2010
Zaaknummer
08-898 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding. Naar het oordeel van de Raad bestaat onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het College dat appellante en [B.] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit van 12 maart 2007. Herroept het besluit van 28 juli 2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/898 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 17 december 2007, 07/275 en 07/350 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Jakobs, advocaat te Emmen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2010. Voor appellante is verschenen mr. Jakobs. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Bethlehem, werkzaam bij de gemeente Emmen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sedert 28 december 2000 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 20 april 2006 heeft het College de bijstand met ingang van 1 april 2006 ingetrokken.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante sedert mei 2005 op haar adres samenwoont met A. [B.] (hierna [B.]) heeft de sociale recherche van de gemeente Emmen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader zijn over de periode van 14 november 2005 tot en met 12 april 2006 observaties uitgevoerd in de omgeving van het adres van appellante en is op 13 april 2006 een huisbezoek aan de woning van appellante gebracht. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 april 2006. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 28 juli 2006 de bijstand over de periode van 14 december 2005 tot 1 april 2006 te herzien (lees: in te trekken) en de over de periode van 14 december 2005 tot en met 31 december 2005 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 730,26 (bruto) en de over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2006 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.522,52 (netto) van appellante terug te vorderen. Voorts heeft het College bij dat besluit met ingang van 1 juli 2006 appellante een maatregel opgelegd van 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante gedurende de betreffende periode, zonder daarvan bij het College melding te maken, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [B.].

1.3. Bij besluit van 12 maart 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank - met een bepaling inzake griffierecht - het beroep van appellante tegen het besluit van 12 maart 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover dat ziet op de maatregel en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand blijven.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het besluit van 12 maart 2007 in stand is gebleven (dit betreft de intrekking en de terugvordering) en voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 12 maart 2007 in stand zijn gelaten (dit betreft de maatregel). Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [B.].

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2. Naar het oordeel van de Raad bestaat onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het College dat appellante en [B.] gedurende de hier te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Met name heeft het College niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van appellante en [B.] sprake was van wederzijdse verzorging. De Raad overweegt daartoe dat het onderzoek van de sociale recherche uitsluitend gericht is geweest op de vraag of appellante en [B.] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Zoals de gemachtigde van het College ter zitting desgevraagd heeft erkend, blijkt uit het rapport van 18 april 2006 op geen enkele wijze dat de sociale recherche heeft onderzocht of ten aanzien van appellante en [B.] sprake was van wederzijdse verzorging. De gedingstukken bieden ook overigens onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het College dat appellante en [B.] blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De enkele mededeling van appellante - gedaan tijdens de naar aanleiding van haar bezwaar tegen het onder 1.1 genoemde besluit van 20 april 2006 gehouden hoorzitting van 8 mei 2006 - dat [B.] vanwege zijn ziekte enige tijd in januari 2006 en halverwege februari 2006 bij haar heeft verbleven en dat zij toen de kosten van het eten deelden is daarvoor onvoldoende.

4.3. Hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen betekent dat het besluit van 12 maart 2007, voor zover dat op de intrekking ziet, niet in stand kan blijven omdat het niet op een deugdelijke motivering berust. Daarmee is tevens de grondslag aan de handhaving van de terugvordering komen te ontvallen, zodat het besluit van 12 maart 2007, ook voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering, voor vernietiging in aanmerking komt.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. Aangezien de maatregel niet kan worden gebaseerd op de grond dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet bij het College heeft gemeld dat zij met [B.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, heeft de rechtbank voorts ten onrechte de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde deel van het besluit van 12 maart 2007 in stand gelaten. De aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 12 maart 2007, voor zover dat ziet op de intrekking en de terugvordering, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De Raad ziet tevens aanleiding om het besluit van 28 juli 2006 te herroepen, aangezien dit besluit op een onhoudbare gebleken grondslag berust en niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden geheeld.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Vernietigt het besluit van 12 maart 2007 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking en de terugvordering;

Herroept het besluit van 28 juli 2006;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) C. de Blaeij.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

SG