Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9853

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
09-1785 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum van de toegekende toeslag en voorzieningen. Appellante heeft pas bij de huidige aanvraag aangegeven dat zij aanwezig is geweest bij de verkrachting van haar moeder. Dit strookt ook met de (...) bewoordingen van haar aanvraagbrief van 16 mei 2008 aan verweerster. Dit brengt mee dat verweerster deze brief terecht heeft aangemerkt als nieuwe aanvraag en dat op deze aanvraag in beginsel de hoofdregel van artikel 40, eerste lid, van de Wet van toepassing is. Het enkele feit dat verweerster destijds niet specifiek nader heeft laten nagaan of appellante wellicht bij die verkrachting aanwezig is geweest biedt - daargelaten of hier van onzorgvuldigheid sprake is - geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerster toepassing had moeten geven aan artikel 40, tweede lid, van de Wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1785 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 25 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 3 februari 2009, kenmerk BZ 8568, JZ/B60/2009 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2010. Appellante is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar [naam echtgenoot], terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In september 2001 heeft appellante, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogs-slachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning als zodanig van, onder meer, een periodieke uitkering. Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 30 januari 2002, op de grond dat de door appellante aangevoerde eigen oorlogservaringen - te weten verblijf in een kamp te Tjikoroe en het meemaken van beschietingen te Makassar - niet vallen onder de werking van de Wet. Een in februari 2006 namens appellante ingediend verzoek om dit besluit in haar voordeel te herzien, waarbij is gewezen op door verweerster genomen positieve besluiten ten aanzien van haar moeder en haar zuster, heeft verweerster afgewezen bij besluit van 11 april 2006 op de grond dat bij het verzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn vermeld waarmee bij het eerder genomen besluit geen rekening is gehouden.

Tegen genoemde besluiten heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend zodat deze rechtens onaantastbaar zijn geworden.

1.2. Bij brief van 16 mei 2008 heeft appellante verweerster nogmaals gevraagd om haar te erkennen als burger-oorlogsslachtoffer. Appellante heeft hierin aangegeven dat zij een hernieuwde aanvraag doet omdat er situaties hebben plaatsgevonden die niet ter sprake zijn gekomen. In dat verband is aangevoerd dat appellante en haar zus te Tjikoroe getuige zijn geweest van de verkrachting van hun moeder door een Japanner, en dat appellante hierbij is geschopt en geslagen met gevolg dat een vinger is verminkt. Bij het, na bezwaar genomen, bestreden besluit heeft verweerster appellante het voordeel van de twijfel gegeven en alsnog aanvaard dat zij geconfronteerd is geweest met het seksueel misbruik van haar moeder door een Japanner, en appellante op grond van hierdoor veroorzaakte psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Met ingang van 1 mei 2008 zijn aan appellante de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet en enkele bijzondere voorzieningen toegekend.

1.3. In beroep heeft appellante zich gekeerd tegen de ingangsdatum van de toegekende toeslag en voorzieningen. Appellante heeft daartoe aangevoerd, samengevat, dat zij al in het over haar eerste aanvraag opgemaakte Sociaal Rapport melding heeft gemaakt van de verkrachting van haar moeder, en dat verweerster bij enig(e) onderzoek en coƶrdinatie ook toen al - gelet op de inmiddels in verband met een gelijktijdige ingediende aanvraag van haar moeder beschikbaar gekomen historische gegevens, met name een strafvonnis uit 1947 waarbij de Japanse dader is veroordeeld - de nu aanvaarde calamiteit had kunnen en moeten vaststellen. Appellante acht het daarom aangewezen dat de datum van indiening van de eerste aanvraag bepalend is voor de ingangsdatum.

1.4. Verweerster heeft gesteld dat appellante pas bij haar huidige aanvraag heeft vermeld dat zij getuige is geweest van de verkrachting en dat daarom geen reden bestaat om met toepassing van de in artikel 40, tweede lid, van de Wet gegeven bevoegdheid af te wijken van de hoofdregel van het eerste lid van dat artikel dat uitkeringen en voorzieningen ingaan op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend.

2. De Raad staat voor de vraag of, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Hierover wordt overwogen als volgt.

2.1. Gelet op de gedingstukken moet ook de Raad vaststellen dat appellante pas bij de huidige aanvraag heeft aangegeven dat zij aanwezig is geweest bij de verkrachting van haar moeder. Dit strookt ook met de, hierboven vermelde, bewoordingen van haar aanvraagbrief van 16 mei 2008 aan verweerster. Dit brengt mee dat verweerster deze brief terecht heeft aangemerkt als nieuwe aanvraag en dat op deze aanvraag in beginsel de hoofdregel van artikel 40, eerste lid, van de Wet van toepassing is.

2.2. Ingevolge artikel 40, tweede lid, van de Wet kan verweerster van het bepaalde in het eerste lid in het voordeel van de betrokkene afwijken indien zij, rekening houdende met alle omstandigheden, een dergelijke afwijking in een individueel geval noodzakelijk acht. Verweerster heeft in het geval van appellante geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht om van het bepaalde in het eerste lid af te wijken.

2.3. De in artikel 40, tweede lid, van de Wet neergelegde bevoegdheid is van discretionaire aard, hetgeen wil zeggen dat verweerster een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Dat brengt mee dat de Raad heeft na te gaan of verweerster in dit geval niet in redelijkheid kon beslissen van haar hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel bij haar besluit heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel enig algemeen rechtsbeginsel.

2.4. Hiervan is naar het oordeel van de Raad geen sprake. De aanwezigheid van appellante bij de verkrachting van haar moeder is geen vanzelfsprekendheid. Voorts heeft niet alleen appellante zelf bij haar eerdere aanvraag en bij haar herzieningsverzoek van die aanwezigheid geen melding gemaakt, maar wordt daarvan ook niet gerept in de stukken die bij de aanvraag van haar moeder ter beschikking zijn gekomen. Het enkele feit dat verweerster destijds niet specifiek nader heeft laten nagaan of appellante wellicht bij die verkrachting aanwezig is geweest biedt - daargelaten of hier van onzorgvuldigheid sprake is - geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerster toepassing had moeten geven aan artikel 40, tweede lid, van de Wet.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Lammerse.

HD