Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9815

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
06-04-2010
Zaaknummer
08/2176 WIA + 08/5386 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Getalscriteria van art. 9 Schattingsbesluit. Minimaal aantal in aanmerking te nemen arbeidsplaatsen. Niet rechtstreeks van toepassing op (het antwoord op) de vraag of er voldoende basis is om re-integratie-inspanningen te starten. Het Uwv heeft met recht gesteld, dat sprake is van onvoldoende re-integratie-inspanning bij appellante, voor welke nalatigheid geen deugdelijke grond aan te wijzen valt. De Raad kan de ter zitting naar voren gebrachte stelling van appellante niet volgen dat het besluit van 13 maart 2007 van het Uwv, waarbij het Uwv de tekortkoming met betrekking tot de re- integratie van de werknemer hersteld heeft geacht en de loonsanctie bijgevolg per 24 april 2007 is beëindigd, niet te rijmen zou zijn met het eerder opleggen van de loonsanctie. Als hiervoor aangegeven hebben vanaf medio juli 2006 tot het einde van de wettelijke wachttijd op 25 januari 2007 geen adequate re-integratie-activiteiten door appellante plaatsgevonden. Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover het Uwv daarbij de opdracht is gegeven om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2176 en 08/5386 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 4 maart 2008, 07/777 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Koolhoven, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft bij brief van 4 september 2008 een nieuw besluit op bezwaar van

dezelfde datum naar de Raad gezonden, vergezeld van een rapport van 23 juli 2008 van bezwaararbeidsdeskundige H.N.M. van Rhee.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2010. Namens appellante was bovenvermelde gemachtigde aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.S. van Daatselaar en mr. B.J. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1. [Naam werknemer], als timmerman in dienst van appellante werkzaam, heeft zich op 26 januari 2005 ziek gemeld met reumatische klachten, met name aan handen armen, benen en voeten. Op 20 maart 2006 heeft hij bij het Uwv een aanvraag voor het ontvangen van uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op basis van een verkorte wachttijd ingediend. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek door een arts van het Uwv, heeft het Uwv de werknemer bij besluit van 26 juli 2006 – tevens in kopie toegezonden aan appellante – bericht, dat verkorting van de wachttijd niet mogelijk is omdat geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Tevens is opgemerkt dat het Uwv in de komende periode nog re-integratie-inspanningen verwacht van de werknemer en de werkgever.

2. Bij besluit van 20 november 2006 heeft het Uwv het tijdvak ingevolge welke de werknemer jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken. Deze verlenging – ook wel kortweg loonsanctie genoemd – is opgelegd op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA in aansluiting op de reguliere wachttijd omdat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht waarvoor geen deugdelijke grond aanwezig is. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is, na rapportage van 29 maart 2007 door de bezwaararbeids-deskundige L.F.M. Morsink, bij besluit van 2 april 2007 (hierna: het bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

3. Het namens appellante ingestelde beroep is door de rechtbank gegrond verklaard. Daarbij is het bestreden besluit 1 vernietigd en is het Uwv opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met bepalingen omtrent het vergoeden van proceskosten en het betalen van griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, dat gelet op de aanwezige gedingstukken het Uwv met recht heeft gesteld dat appellante de herplaatsing via het tweede spoor niet tijdig in gang heeft gezet. Desalniettemin moet het bestreden besluit 1 volgens de rechtbank worden vernietigd omdat onvoldoende door het Uwv is gemotiveerd waarom geen sprake is van een deugdelijke grond als bedoeld in artikel 25, negende lid van de Wet WIA, nu uit veel op verzoek van appellante uitgebrachte rapporten blijkt dat sterk werd betwijfeld of voor de werknemer, gelet op diens beperkingen, wel functies op de vrije arbeidsmarkt kunnen worden geduid.

4.1. Namens appellante is het ingestelde hoger beroep gericht tegen de overweging van de rechtbank dat het Uwv zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat te laat met re-integratie-inspanningen is gestart op het tweede spoor. Appellante heeft steeds conform de adviezen van de arbodienst gehandeld en in lijn hiermee eerst bezien of er voor de werknemer mogelijkheden waren in het eigen bedrijf. Toen dat niet haalbaar bleek, stelde de arbodienst vast dat de werknemer ook ongeschikt was voor ander werk bij een andere werkgever, zodat het volgen van het tweede spoor volgens appellante in feite zinloos was.

4.2. Het Uwv heeft in de aangevallen uitspraak berust. Bij besluit van 4 september 2008 (hierna: het bestreden besluit 2) heeft het Uwv de opgelegde loonsanctie gehandhaafd en daaraan – mede – de motivering ten grondslag gelegd, dat nu het hier niet gaat om een reguliere schatting met betrekking tot de mate van arbeidsongeschiktheid, maar om een toetsing van re-integratie-inspanningen, het niet doorslaggevend is of voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen als bedoeld in artikel 9 van het Schattingsbesluit geduid kunnen worden. Nu er wel twee zogenoemde sbc- codes voor de werknemer te duiden zijn – zoals in het bij bedoeld besluit gevoegde rapport van de arbeidskundige Van Rhee voornoemd nader aangegeven –, is zulks afdoende om de mogelijkheden van de betrokken werknemer buiten het bedrijf van appellante te adstrueren.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. De Raad kan het oordeel van de rechtbank omtrent het aan het bestreden besluit 1 klevende motiveringsgebrek onderschrijven, nu er ook reeds in beroep door appellante uitdrukkelijk op is gewezen dat onder andere haar bedrijfsarts had gesteld dat er wel heel weinig mogelijkheden voor de werknemer waren. Ook het Uwv heeft zulks blijkens het nemen van een nieuw besluit op bezwaar met een verbeterde motivering erkend.

5.3. De Raad stelt vervolgens vast dat het Uwv met het bestreden besluit 2 niet (geheel) aan het (hoger) beroep van appellante tegemoet is gekomen. De Raad zal derhalve het hoger beroep met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 6:24 van die wet mede gericht achten tegen bestreden besluit 2.

5.4.1. De Raad kan instemmen met de overwegingen van de rechtbank betreffende het te laat in gang zetten van het tweede spoor.

5.4.2. Daartoe overweegt de Raad allereerst dat de getalscriteria van artikel 9 van het Schattingsbesluit – dat blijkens de considerans ervan specifiek betrekking heeft op het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid – betreffende de minimaal bij een schatting in aanmerking te nemen functies en arbeidsplaatsen niet rechtstreeks van toepassing zijn op (het antwoord op) de vraag of er voldoende basis is om re-integratie-inspanningen te starten. In zoverre heeft het Uwv alsnog een voldoende motivering aan het opleggen van de loonsanctie ten grondslag gelegd. In het eerder genoemde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Van Rhee, waarin als aangegeven twee sbc- codes voor de werknemer zijn geduid, zijn derhalve de mogelijkheden van de werknemer op de arbeidsmarkt voldoende inzichtelijk en verifieerbaar toegelicht. Overigens noemt ook het op verzoek van appellante uitgebrachte rapport van 20 februari 2007 van het bureau Functieflex, zij het met enige kanttekeningen, arbeidsmogelijkheden als onder andere postbode en parkeerwachter.

5.4.3. De Raad merkt vervolgens op, dat in de rapporten van het eerder genoemde bureau Functieflex van 12 oktober 2005 en dat van 14 februari respectievelijk 9 maart 2006 uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat er geen sprake is van een situatie dat er ten aanzien van de werknemer geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden bestaan, hetgeen appellante al had kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de gedachte dat re-integratie van de werknemer (in het tweede spoor) “toch zinloos” was. In elk geval had het besluit van 26 juli 2006 (betreffende de afwijzing van het verzoek om een verkorte wachttijd) voor appellante aanleiding behoren te zijn om alsnog re-integratie-activiteiten te starten. Dat nadien op adequate wijze de re-integratie van de werknemer in het tweede spoor ter hand is genomen, is gesteld noch gebleken. Het Uwv heeft dan ook met recht gesteld, dat sprake is van onvoldoende re-integratie-inspanning bij appellante, voor welke nalatigheid geen deugdelijke grond aan te wijzen valt.

5.4.4. De Raad kan, tot slot, de ter zitting naar voren gebrachte stelling van appellante niet volgen dat het besluit van 13 maart 2007 van het Uwv, waarbij het Uwv de tekortkoming met betrekking tot de re- integratie van de werknemer hersteld heeft geacht en de loonsanctie bijgevolg per 24 april 2007 is beëindigd, niet te rijmen zou zijn met het eerder opleggen van de loonsanctie. Als hiervoor aangegeven hebben vanaf medio juli 2006 tot het einde van de wettelijke wachttijd op 25 januari 2007 geen adequate re-integratie-activiteiten door appellante plaatsgevonden.

5.4.5. Hetgeen hiervoor is overwogen moet leiden tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt, behoudens voor zover het Uwv is opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 dient ongegrond te worden verklaard.

6. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover het Uwv daarbij de opdracht is gegeven om een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK