Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9756

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2010
Datum publicatie
06-04-2010
Zaaknummer
09-286 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing toekenning studiefinanciering ingevolge de Wsf 2000. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de beroepsgrond van appellant dat het besluit van 6 december 2007 onrechtmatig is omdat sprake is van strijd met artikel 2 EP, op juiste wijze besproken en weerlegd. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de bij de rechtbank ingediende gronden en levert mitsdien geen grond op om tot een van de rechtbank afwijkend oordeel te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/286 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 december 2008, 08/38 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 19 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2010. Appellant is niet verschenen. De Minister was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 6 december 2007 heeft de Minister – beslissend op bezwaar – gehandhaafd zijn besluit de aanvraag van appellant van 5 juli 2007 om toekenning studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) af te wijzen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant tegen het besluit van 6 december 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en beslissingen genomen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Vernietiging van het besluit van 6 december 2007 heeft plaatsgevonden op grond van de overweging dat de Minister bij dit besluit niet is ingegaan op de bezwaargrond van appellant inhoudende dat de afwijzing van de aanvraag studiefinanciering strijdt met artikel 2 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (artikel 2 EP). De rechtbank is voorts tot het oordeel gekomen dat van vorenbedoelde strijd geen sprake is en dat de Minister terecht heeft vastgesteld dat appellant geen recht op studiefinanciering heeft. Hierin heeft de rechtbank aanleiding gevonden de rechtsgevolgen van het besluit van 6 december 2007 in stand te laten.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank inhoudende dat de Minster terecht tot het oordeel is gekomen dat appellant geen recht op studiefinanciering heeft.

3.2. Appellant is van opvatting dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de weigering aan appellant studiefinanciering toe te kennen geen strijd oplevert met artikel 2 EP. Naar de opvatting van appellant heeft de rechtbank miskend dat de weigering studiefinanciering toe te kennen tot gevolg heeft dat appellant de toegang tot het onderwijs wordt ontzegd.

3.3. Voorts heeft appellant zonder nadere toelichting verwezen naar eerder in bezwaar en in beroep ingediende gronden. Appellant heeft hierbij niet aangegeven waarom naar zijn opvatting de rechtbank deze gronden onjuist heeft beoordeeld.

4.1. Het hoger beroep van appellant treft geen doel.

4.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de beroepsgrond van appellant dat het besluit van 6 december 2007 onrechtmatig is omdat sprake is van strijd met artikel 2 EP, op juiste wijze besproken en weerlegd. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de bij de rechtbank ingediende gronden en levert mitsdien geen grond op om tot een van de rechtbank afwijkend oordeel te komen.

4.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de gronden van appellant in beroep, waarnaar in hoger beroep zonder nadere toelichting is verwezen, op juiste wijze besproken en heeft de rechtbank op juiste wijze gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.

4.4. De aangevallen uitspraak dient dan ook - voor zover aangevochten - te worden bevestigd.

4.5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL