Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9745

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
01-04-2010
Zaaknummer
08-6499 WWB + 08-6500 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hierziening en terugvordering bijstand. Inkomsten uit hennepteelt en handel in cannabis. Schending inlichtingenverplichting. De vaststelling van een wederrechtelijk genoten voordeel kan niet van invloed zijn op de hoogte van het in een bestuursrechtelijke procedure terug te vorderen bedrag (zie LJN AK3428 en LJN AV0131).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2010/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6499 WWB

08/6500 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te [woonplaats] (hierna ook: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 oktober 2008, 08/2161 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Druten (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D. Brouwer, advocaat te Ede, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 februari 2010, waar appellante en mr. Brouwer zijn verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E. Wijnekus, werkzaam bij de gemeente Druten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvangen vanaf 12 juni 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), berekend naar de norm voor gehuwden.

1.2. Bij besluit van 21 juni 2007 heeft het College de bijstand van appellanten over de periode van 1 februari 2005 tot en met 16 februari 2006 herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat zij in die periode inkomsten hebben ontvangen uit de teelt en verkoop van cannabis en dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld. Daarbij heeft het College tevens de over genoemde periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 18.495,88 van appellanten teruggevorderd. Bij besluit van 10 april 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 april 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Appellanten erkennen dat zij in de periode van 1 februari 2005 tot en met 16 februari 2006 de inlichtingenverplichting ingevolge artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB hebben geschonden, maar zijn van mening dat het recht op bijstand over die periode wel kan worden vastgesteld. In dat verband hebben zij beroep gedaan op de uitspraken van de politierechter van de rechtbank Arnhem van 26 oktober 2006 waarin is bepaald dat appellanten in genoemde periode elk een bedrag van € 3.400,-- aan wederrechtelijk voordeel uit de verkoop van wiet hebben genoten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar vaste rechtspraak levert een schending van de inlichtingenverplichting een grond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het is dan aan de betrokkenen om aannemelijk te maken - en zo nodig te bewijzen - dat, indien wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, recht op (aanvullende) bijstand zou hebben bestaan.

4.2. Vast staat dat appellanten niet aan de hand van een administratie van inkomsten en uitgaven of op andere wijze kunnen aantonen welke inkomsten zij in de periode van 1 februari 2005 tot en met 16 februari 2006 uit teelt van hennep en de handel in softdrugs hebben ontvangen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het door de politierechter vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel geen leidraad kan vormen voor het vaststellen van het recht op bijstand van appellanten omdat dit bedrag is vastgesteld op basis van de verklaringen van appellanten en niet op basis van een door hen bijgehouden administratie of boekhouding. Daarbij merkt de Raad op dat de politierechter slechts een schatting heeft gemaakt van het door appellanten wederrechtelijk verkregen voordeel. Voorts is bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van de verkoop van 100 gram wiet per week, terwijl appellant heeft verklaard dat hij per week 100 tot 200 gram bij een growshop ophaalt voor de handel en is daarbij tevens uitgegaan van een periode van 34 weken en niet van 54 weken. Ten slotte merkt de Raad op dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel buiten beschouwing is gelaten de inkomsten die appellanten hebben verkregen uit de teelt van hennep, waarover appellante tijdens haar verhoor op 24 mei 2006 heeft verklaard dat zij daarmee ongeveer € 2.000,-- hebben verdiend.

4.3. Uit 4.2 vloeit voort dat het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellanten over de periode van 1 februari 2005 tot en met 16 februari 2006 in te trekken. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.4. De Raad stelt vast dat appellanten geen zelfstandige grieven hebben aangevoerd tegen de terugvordering van de gemaakte kosten aan bijstand. Ter zitting is opgemerkt dat appellanten het gevoel hebben dat zij door de ontnemingsvordering en de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand dubbel gestraft worden. In dit verband merkt de Raad op dat naar vaste rechtspraak, onder meer zijn uitspraken van 27 augustus 2003, LJN AK3428 en 10 januari 2006, LJN AV0131, de vaststelling van een wederrechtelijk genoten voordeel als hier aan de orde niet van invloed kan zijn op de hoogte van het in een bestuursrechtelijke procedure terug te vorderen bedrag. Zoals overwogen in onder meer de uitspraak van de Raad van 10 december 2002, LJN AF3140 kan de strafrechter, hetzij reeds aanstonds bij de vaststelling van het bedrag van de ontnemingsvordering, hetzij nadien met toepassing van artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, rekening houden met een bestuursrechtelijke terugvordering. Het is daarbij uitsluitend aan de strafrechter om - met inachtneming van artikel 36e, zesde en/of vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht - te bepalen of, en zo ja in hoeverre, een dergelijke terugvordering in het concrete geval van invloed dient te zijn op de vaststelling van het bedrag van de ontnemingsvordering. Het feit dat de strafrechter (nog) geen aanleiding heeft gezien bij de vaststelling van het bedrag van de ontnemingsvordering betekenis toe te kennen aan de terugvordering, kan hoe dan ook niet van invloed zijn op de hoogte van het terug te vorderen bedrag aan kosten van bijstand.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2010.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) J.M. Tason Avila.

SB