Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9742

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
08-4077 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling ingangsdatum eervol ontslag. Vanaf de financiële afwikkeling in 2001 van de herroeping van de stopzetting van de bezoldiging en het ontslag tot aan het ontslag per 1 april 2006 is appellante nagenoeg ongestoord en zonder werkzaamheden te hoeven verrichten in het genot van haar bezoldiging gebleven. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanwijzingen gevonden voor de wens van appellante om in die jaren bij het college of met hulp van het college elders weer aan het werk te gaan. De Raad wijst in dat verband ook op de reacties van appellantes gemachtigde in 2004 op een initiatief tot werkhervatting van de gemachtigde van het college. Ook van door appellante gestelde onzekerheid en spanningen in die jaren is de Raad niet gebleken. Gelet ook op het feit dat appellante in wezen een ontslag met een enige jaren vroegere ingangsdatum had gewenst, kan de Raad niet anders oordelen dan dat de vele jaren genoten bezoldiging in samenhang met het positieve effect van het voortbestaan van de aanstelling op de duur van de aanspraak op werkloosheidsuitkering niet ten onrechte medebepalend is geweest voor het oordeel van de rechtbank dat aanvullende vergoedingen niet geboden waren.

Wetsverwijzingen
Rechtspositiebesluit WPO/WEC 228
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4077 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (België), (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 juni 2008, 07/1254 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse (hierna: college)

Datum uitspraak: 18 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. S. van der Giesen, advocaat te Gouda. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.H.M. Wesseling, advocaat te ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden .

1.1. Appellante is vanaf 1972 werkzaam geweest als leerkracht, aanvankelijk in het kleuteronderwijs, nadien in het basisonderwijs. Vanaf 1989 is zij verbonden geweest aan de openbare school voor basisonderwijs “[naam school]” in [vestigingsplaats] en is daar steeds belast met werkzaamheden voor de groepen 1 en 2. Nadat appellante in juni 1997 bekend was gemaakt, dat zij in het volgende cursusjaar in groep 4 zou worden geplaatst is appellante met ziekteverlof gegaan. Het bezwaar van appellante tegen de plaatsing in groep 4 is ongegrond verklaard, welke beslissing na een ingetrokken beroep in rechte onaantastbaar is geworden. In 1999 is de bezoldiging van appellante stop gezet. In 2000 is haar ontslag verleend. Na door appellante gemaakt bezwaar zijn deze besluiten herroepen en is het dienstverband met appellante hersteld. Appellante heeft vanaf medio 1997 geen werkzaamheden meer aan “[naam school]” of elders bij het college verricht.

1.2. Bij besluit van 17 februari 2006 is appellante met toepassing van artikel 228, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC ontslag verleend vanwege verstoorde verhoudingen tussen appellante en het college. Na bezwaar hiertegen is bij het bestreden besluit van 10 april 2007 het ontslag gehandhaafd met toevoeging van de kwalificatie eervol en is de ingangsdatum van het ontslag nader bepaald op 1 april 2006. Voorts is appellante een zekere garantie gegeven op uitkering ingevolge de voor onderwijs-personeel gebruikelijke werkloosheidsregelingen.

Bij de aangevallen uitspraak is het bestreden besluit in stand gebleven.

2. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd, dat het ontstaan en voortbestaan van het conflict grotendeels aan het college toegerekend moet worden. Op grond van die omstandigheid meent zij dat haar - naast het inmiddels definitief vast-gestelde recht op een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet (CRvB 24 december 2009, LJN BK8584) en de bijbehorende bovenwettelijke werkloosheidsuitkering - een suppletie op deze uitkeringen tot 100% van haar bezoldiging alsmede een vergoeding ter hoogte van 12 bruto maandsalarissen toekomt.

Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad in geval van een ontslag als het onderhavige (CRvB 23 mei 2001, LJN AD3438 en TAR 2001, 122 ) is er aanleiding voor het treffen van een regeling die uitgaat boven (een garantie op) de reguliere werkloosheidsuit-keringen, als komt vast te staan dat het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding of de impasse.

3.2. De taaktoedeling aan appellante voor het schooljaar 1997-1998 is in rechte onaan-tastbaar en wordt dus geacht rechtmatig te zijn. Dat is dus geen aandeel dat is toe te rekenen aan het college. In het verzet van appellante tegen die taaktoedeling ziet de Raad geen reden om een aandeel van appellante aanwezig te achten. De mogelijkheid voor een ambtenaar om een rechtsmiddel tegen een besluit van het bevoegd gezag aan te wenden is een in de wet verankerd recht. Het gebruik van dat rechtsmiddel kan de ambtenaar niet worden verweten. Aangezien de ziekmelding van appellante medio 1997 en het voort-duren van het ziekteverzuim tot eind 1998 door de bedrijfsarts en het college zijn aanvaard, ziet de Raad, anders dan de rechtbank, geen grond voor het oordeel dat in de ziekmelding een aandeel van appellante in het ontstaan van de verstoorde verhoudingen gelegen zou zijn. Blijkens - door het college niet weersproken - informatie van appellante ter zitting hebben partijen in de loop van de bezwaarprocedure tegen de taaktoedeling uitvoerig doch tevergeefs geprobeerd tot een oplossing te komen. Van een overwegend aandeel van één van de partijen aan dit mislukken is niet gebleken. Gelet op het voren-staande ziet de Raad niet dat het college een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan van de verstoorde verhoudingen.

3.3. De Raad sluit zich wel aan bij het oordeel van de rechtbank en de door haar daarvoor gegeven motivering dat het voortbestaan van de verstoorde verhoudingen in hoofdzaak aan het college moet worden toegerekend. Hetzelfde geldt voor het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding is voor een aanvullende financiële tegemoetkoming, omdat appellante veel jaren haar bezoldiging doorbetaald heeft gekregen zonder enige arbeidsprestatie te hoeven leveren.

3.3.1. In verband met de opvatting van appellante dat hiermee wordt miskend, dat de traagheid in de besluitvorming van het college langdurig onzekerheid, stress en schade heeft opgeleverd en dat de doorbetaalde bezoldiging geen gunst was, omdat appellante steeds beschikbaar is geweest voor werkzaamheden bij het college en anderszins, merkt de Raad nog het volgende op.

3.3.2. Vanaf de financiële afwikkeling in 2001 van de herroeping van de stopzetting van de bezoldiging en het ontslag tot aan het ontslag per 1 april 2006 is appellante nagenoeg ongestoord en zonder werkzaamheden te hoeven verrichten in het genot van haar bezoldiging gebleven. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanwijzingen gevonden voor de wens van appellante om in die jaren bij het college of met hulp van het college elders weer aan het werk te gaan. De Raad wijst in dat verband ook op de reacties van appellantes gemachtigde in 2004 op een initiatief tot werkhervatting van de gemachtigde van het college. Ook van door appellante gestelde onzekerheid en spanningen in die jaren is de Raad niet gebleken.

Gelet ook op het feit dat appellante in wezen een ontslag met een enige jaren vroegere ingangsdatum had gewenst, kan de Raad niet anders oordelen dan dat de vele jaren genoten bezoldiging in samenhang met het positieve effect van het voortbestaan van de aanstelling op de duur van de aanspraak op werkloosheidsuitkering niet ten onrechte medebepalend is geweest voor het oordeel van de rechtbank dat aanvullende vergoe-dingen niet geboden waren.

3.4. Al het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten bevestigd dient te worden.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M. Lammerse.

HD