Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9741

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
01-04-2010
Zaaknummer
08-3060 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel wegens weigeren aangeboden werk te accepteren. Omdat betrokkene bij herhaling is gewezen op de verplichting de aangeboden arbeid te aanvaarden en de informatie die aan haar op 14 februari 2007 is verstrekt over de gevolgen van het niet voldoen aan die verplichting voor de bijstandsuitkering heeft de schending van de hoorplicht in dit geval geen gevolgen. Appellant en betrokkene zijn in bezwaar alsnog gehoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2010/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3060 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2008, 07/1943 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 16 februari 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant en zijn partner, mevrouw S.G. [K.] (hierna: [K.]), zijn beiden afkomstig uit Afghanistan en ontvangen vanaf 4 april 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), berekend naar de norm voor gehuwden.

1.2. Tijdens een gesprek met de klantmanager van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam op 14 februari 2007 - onder meer inzake de mogelijkheden van appellant en [K.] op de arbeidsmarkt - is hen werk aangeboden bij de Roteb. Appellanten hebben aangegeven niet te kunnen werken vanwege hun gezondheidsproblemen. Om die reden heeft de arts I.J. de Rochemont van AOB Compaz op 19 februari 2007 onderzoek verricht en is daarbij tot de conclusie gekomen dat [K.] alleen beperkingen ondervindt voor zware psychische belastingen, zoals voor werken onder hoge tijdsdruk, maar dat zij in staat is de werkzaamheden in het buurt service team (BST) te verrichten. Bij besluit van 22 februari 2007 is aan appellant en [K.] kenbaar gemaakt dat op [K.] de volledige arbeidsverplichting rust. Per brief van 23 februari 2007 is [K.] uitgenodigd voor een gesprek op 2 maart 2007 met mevrouw Degens van Bureau Werk om een arbeidscontract te tekenen. In deze brief is [K.] erop gewezen dat de afspraak niet vrijblijvend is. Op 2 maart 2007 heeft het gesprek plaatsgevonden en is aan [K.] werk in het BST aangeboden. Gerapporteerd is dat [K.] op dit aanbod afwijzend heeft gereageerd met de mededeling dat zij nog niet beschikbaar is voor het werk bij de Roteb in verband met haar medische en psychische klachten. Vervolgens is [K.] terugverwezen naar de klantmanager.

1.3. Bij besluit van 7 maart 2007 heeft het College de bijstand over de periode van 2 maart 2007 tot 2 april 2007 met 100% verlaagd op de grond dat [K.] op 2 maart 2007 de aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid heeft geweigerd. In bezwaar is aangevoerd dat mevrouw Degens heeft verklaard dat [K.] het werk niet hoefde te doen, dat de arts De Rochemont [K.] te licht heeft bevonden voor zwaar werk en dat zij in verband met haar gezondheidsklachten zich niet in staat acht om te werken. Bij besluit van 16 mei 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 maart 2007 ongegrond verklaard met dien verstande dat de periode van verlaging is beperkt tot de periode van 2 maart 2007 tot 22 maart 2007 omdat [K.] het betreffende werk bij de Roteb alsnog per 22 maart 2007 heeft geaccepteerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 mei 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In rechtsoverweging 2.3 van de aangevallen uitspraak zijn de in dit geding van belang zijnde wettelijke bepalingen weergegeven, waarnaar de Raad verwijst.

4.2.1. De Raad kan het standpunt van appellant dat [K.] heeft begrepen dat zij het tijdens het gesprek op 2 maart 2007 aangeboden werk niet behoefde te accepteren niet onderschrijven. Tijdens het gesprek op 14 februari 2007 is het werkaanbod al aan de orde geweest en zijn appellant en [K.], zoals uit de betreffende rapportage kan worden afgeleid en het College onweersproken heeft gesteld, geïnformeerd over het opleggen van een maatregel als aangeboden werk zonder goede reden wordt geweigerd. In de brief waarmee appellant en [K.] zijn uitgenodigd voor het medisch onderzoek op 19 februari 2007 is erop gewezen dat als dat onderzoek niet uitwijst dat sprake is van medische beletselen om het werk bij de Roteb te aanvaarden, het arbeidscontract ondertekend dient te worden. In het besluit van 22 februari 2007 is aan [K.] duidelijk gemaakt dat op haar de volledige arbeidsverplichting rust. Ten slotte is in de brief, waarmee [K.] is uitgenodigd voor het gesprek op 2 maart 2007, in duidelijke bewoordingen kenbaar gemaakt dat zij het betreffende werk dient te aanvaarden. Derhalve is in korte tijd in niet mis te verstane bewoordingen [K.] duidelijk gemaakt dat zij het werk diende te aanvaarden, terwijl het medisch onderzoek heeft uitgewezen dat haar gezondheidstoestand geen beletsel vormde om dit werk te verrichten. Uit de rapportage van het gesprek van 2 maart 2007 blijkt niet dat de aan [K.] opgelegde verplichting is komen te vervallen. Uit de omstandigheid dat [K.] na haar weigering dit werk te aanvaarden er niet direct op is gewezen dat een maatregel zal worden opgelegd en zij is terugverwezen naar de klantmanager kan niet worden afgeleid dat bij [K.] een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat deze weigering zonder gevolgen voor de bijstand zou blijven.

4.2.2. Bij brief van 4 februari 2010 heeft de gemachtigde van appellant de Raad stukken doen toekomen onder meer inzake deelname van [K.] aan een taalleertoets in maart 2008 en haar aanmelding bij het Trajectplan OK Klassiek in september 2008. Uit deze stukken, waarvan de betekenis voor het onderhavige geding niet is toegelicht, kan de Raad niet afleiden dat [K.] de strekking van de aan haar opgelegde verplichting en de gevolgen van het niet nakomen daarvan ten tijde in geding niet duidelijk is geworden. Bovendien zeggen deze stukken niets over de beheersing van de Nederlandse taal door appellant, die blijkens een bewijs van deelname van 8 november 2006 het vak Nederlands als tweede taal op niveau 3 à 4 heeft afgesloten.

4.3. Bij het besluit van 7 maart 2007 heeft het College aan appellant en [K.] de maatregel van - kort gezegd - 100% gedurende één maand opgelegd zonder dat zij tevoren, zoals artikel 4, eerste lid, van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Rotterdam (hierna: Afstemmingsverordening) voorschrijft, in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen. In dat besluit is niet vermeld dat van de mogelijkheid van het horen is afgezien, zoals geregeld in artikel 4, tweede lid, van de Afstemmingsverordening. Gelet op de omstandigheid dat [K.] bij herhaling is gewezen op de verplichting de aangeboden arbeid te aanvaarden en de informatie die aan haar op 14 februari 2007 is verstrekt over de gevolgen van het niet voldoen aan die verplichting voor de bijstandsuitkering is de Raad van oordeel dat deze schending van de hoorplicht in dit geval geen gevolgen behoeft te hebben voor de in geding zijnde maatregel. Daarbij merkt de Raad op dat aan het aan het primaire besluit klevende zorgvuldigheidsgebrek tegemoet is gekomen doordat appellant en [K.] in bezwaar alsnog zijn gehoord. Dit horen heeft, zoals blijkt uit het besluit van 16 mei 2007, niet geleid tot een ander standpunt van het College over de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van appellant en [K.], maar alleen tot een beperking van de duur van de maatregel, omdat [K.] per 22 maart 2007 alsnog het aangeboden werk heeft aanvaard.

4.4. Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid is ingevolge artikel 8, aanhef en onder 4, van de Afstemmingsverordening een gedraging uit de vijfde categorie. Op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder e, van de Afstemmingsverordening wordt in dat geval de bijstand verlaagd met 100% gedurende een maand. Bij besluit van 16 mei 2007 is ten gunste van appellant daarvan afgeweken door de maatregel in duur te beperken tot een periode van twintig dagen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van appellant het College aanleiding hadden moeten geven om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB en artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening de verlaging van de bijstand verder te beperken. De stelling van appellant dat, indien het horen voorafgaande aan het opleggen van de maatregel zou hebben plaatsgevonden, [K.] het aangeboden werk alsnog direct zou hebben geaccepteerd en dat om die reden dan geen maatregel zou zijn opgelegd of aanleiding zou hebben bestaan voor een verdere verkorting van de duur van de maatregel is speculatief, reeds omdat [K.] niet onmiddellijk na ontvangst van het besluit van 7 maart 2007 is gaan werken, en acht de Raad daarom niet van belang voor de beoordeling van de opgelegde maatregel. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin dringende reden als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Afstemmingsverordening, zodat het College niet bevoegd was van de verlaging van de bijstand af te zien.

4.5. Uit het onder 4.2.1 tot en met 4.4 overwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2010.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) J.M. Tason Avila.

RB