Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9739

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
08-5233 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de ongeschiktheid van appellant op goede gronden is aangenomen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant meer dan voldoende verbeterkansen zijn gegeven, welke kansen hij niet heeft weten te benutten. Bijzondere omstandigheden. Die omstandigheden ziet de Raad gelegen in het langdurige dienstverband van appellant en in het feit dat hij voor 50% in dienst van de RDW blijft en in die functie goed functioneert. Appellant is, naar ter zitting is gebleken, gedurende enige tijd geplaatst geweest in een op initiatief van de regio West van de RDW opgezette pool. Ten tijde van het in 2006 verleende ontslag was appellant uit deze pool gehaald. De Raad is niet duidelijk geworden waarom dit is gebeurd. Gelet hierop kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat de directie voldoende invulling heeft gegeven aan de uit het zorgvuldigheidsbeginsel voortvloeiende verplichting om te onderzoeken of herplaatsing van appellant in een passende functie binnen zijn gezagsbereik mogelijk was. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5233 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 juli 2008, 07/8664 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: directie)

Datum uitspraak: 18 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De directie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.P.A. Nawijn, advocaat te Zoetermeer. De directie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E.C.M. Paumen, advocaat te ’s-Gravenhage, en mr. H. Pasman en ir. A. van der Heijden, beiden werkzaam bij de Dienst Wegverkeer.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellant is met ingang van 1 mei 1980 in dienst getreden van de (rechtsvoorganger van de) Dienst Wegverkeer (hierna: RDW) en was werkzaam als opzichter. Met ingang van 15 december 2000 is appellant na een reorganisatie voor 50% (van zijn arbeidsduur) geplaatst in de functie van medewerker kenniscentrum; deze afdeling is belast met de beantwoording van met name technische vragen van zowel interne als externe contacten van de RDW. Appellant is daarnaast voor 50% (van zijn arbeidsduur) geplaatst in de functie van administratief medewerker op het keuringsstation te Schiedam.

1.3. Bij besluit van 1 mei 2007 heeft de directie een beoordeling van appellant over de periode van 1 april 2004 tot en met 18 mei 2006 vastgesteld en appellant op grond van artikel 139, eerste lid, aanhef en onder g, van het Rechtspositiereglement RDW (Rpr RDW) met ingang van 15 mei 2007 eervol ontslag verleend uit zijn functie van medewerker kenniscentrum. Appellant bleef voor 50% in dienst als administratief medewerker te Schiedam.

1.4. Deze besluiten zijn na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 oktober 2007. Het bij dit besluit gehandhaafde ontslag (hierna: bestreden besluit) berust op het standpunt dat het functioneren van appellant in de door hem beklede functie van medewerker kennis-centrum onvoldoende is, aangezien hij over onvoldoende technische (praktijk)kennis beschikt, dit ondanks het maken van afspraken om tot verbetering te komen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 139, eerste lid, aanhef en onder g, van het Rpr RDW kan een mede-werker worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijn functie, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Volgens vaste rechtspraak moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Daarbij is tevens van belang of de betrokkene tijdig met zijn tekortkomingen is geconfronteerd en de mogelijkheid en tijd heeft gehad zich te verbeteren (zie onder meer CRvB 24 april 2008, LJN BD0977 en TAR 2008, 153, en CRvB 11 mei 2000, LJN AA7059 en TAR 2000, 91).

3.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de ongeschiktheid van appellant op goede gronden is aangenomen. De gedingstukken laten genoegzaam zien dat appellant onvoldoende technische praktijkkennis bezat om volgens de functie-eisen zelfstandig te kunnen functioneren als medewerker kenniscentrum en dat hij, na herhaaldelijk op deze tekortkomingen te zijn gewezen, er niet in is geslaagd door scholing of het opdoen van ervaring in de praktijk de vereiste kennis te verwerven. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant meer dan voldoende verbeterkansen zijn gegeven, welke kansen hij niet heeft weten te benutten. Bij het voorgaande ziet de Raad er niet aan voorbij dat appellant zelf heeft erkend niet te beschikken over de vereiste technische praktijkkennis.

3.3. De directie was niet op grond van enige wettelijke bepaling verplicht een herplaatsingsonderzoek te verrichten alvorens over te gaan tot ontslag wegens ongeschiktheid, maar zoals de Raad vaker heeft overwogen (CRvB 15 maart 2001, LJN AB1092 en TAR 2001, 62), kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding geven om desalniettemin op zorgvuldigheidsgronden een verplichting tot het ondernemen van herplaatsingspogingen aan te nemen. In dit geval doen zich naar het oordeel van de Raad dergelijke bijzondere omstandigheden voor. Die omstandigheden ziet de Raad gelegen in het langdurige dienstverband van appellant en in het feit dat hij voor 50% in dienst van de RDW blijft en in die functie goed functioneert. De directie heeft zich dat ook gerealiseerd en pogingen ondernomen om appellant voor 50% elders binnen de RDW te plaatsen. Die pogingen hebben niet tot een positief resultaat geleid.

3.4. Appellant is, naar ter zitting is gebleken, gedurende enige tijd geplaatst geweest in een op initiatief van de regio West van de RDW opgezette pool. Ten tijde van het in 2006 verleende ontslag was appellant uit deze pool gehaald. De Raad is niet duidelijk geworden waarom dit is gebeurd. Gelet hierop kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat de directie voldoende invulling heeft gegeven aan de uit het zorgvuldigheidsbeginsel voortvloeiende verplichting om te onderzoeken of herplaatsing van appellant in een passende functie binnen zijn gezagsbereik mogelijk was. Het bestreden besluit is dus in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen en behoort daarom te worden vernietigd.

3.5. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het bestreden besluit vernietigen en de directie de opdracht geven een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

4. De Raad vindt in het vorenstaande aanleiding om de directie op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Draagt de directie op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de directie in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-;

Bepaalt dat de directie aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 359,- (€ 143,- + € 216,-) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD