Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9706

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2010
Datum publicatie
01-04-2010
Zaaknummer
08-4995 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens functionele redenen, ongeschiktheid, incompatibiliteit en wettelijke voorwaarden. Misverstand over grond van ontslag. Het College heeft geen overwegend aandeel gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag aanleiding heeft gegeven. Geen grond voor toekenning van een uitkering boven gegarandeerde uitkeringen bij werkloosheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4995 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2008, 07/3810 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 18 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2010. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.D. de Vos, advocaat te Amsterdam, en A.J.M. van Rijswijk, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant trad op 1 november 1985 in dienst bij de gemeente Amsterdam. Laatstelijk was hij werkzaam als arts poliklinieken drugshulpverlening bij het cluster Maatschappelijke en Geestelijke Gezondheidszorg (MGGZ) van de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst Amsterdam (GG&GD).

1.2. In september 2001 is appellant, mede naar aanleiding van een ernstig incident, een functioneringstraject gestart, waarbij is ingezet op verbetering van samenwerkings- en houdingsaspecten, zelfreflectie en collegialiteit. Na evaluatie van dat traject heeft het hoofd MGGZ de conclusie getrokken dat het functioneren van appellant onvoldoende is verbeterd en dat appellant ongeschikt is voor het vervullen van zijn functie. Vervolgens hebben besprekingen plaatsgevonden over de beëindiging van het dienstverband. De afspraken die in dat kader zijn gemaakt zijn neergelegd in een brief van 25 oktober 2002. Zoals blijkt uit die brief is onder meer afgesproken dat appellant een outplacementtraject van maximaal een jaar zal doorlopen en dat het college zal worden gevraagd appellant te ontslaan op de grond van artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder d, van het Ambtenaren-reglement Amsterdam (ARA) als mocht blijken dat er geen uitzicht op een andere functie is binnen de duur van het outplacementtraject. Genoemde grond voorziet in ontslagver-lening wegens het feit dat het belang van de gemeente dringend eist dat de betrekking op een andere wijze wordt vervuld. Tot slot is opgemerkt dat, indien appellant afziet van deze afspraken, hij zal worden voorgedragen voor ontslag op grond van artikel 1122, aanhef en onder c, van het ARA.

1.3. Appellant is met ingang van 1 november 2002 gestart met het outplacementtraject. In augustus 2003 is vastgesteld dat er voor hem geen uitzicht is op een andere functie, waarna het college bij besluit van 10 oktober 2003 appellant met ingang van 21 januari 2004 ontslag heeft verleend op grond van artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder d, van het ARA. Het college heeft dit ontslag na bezwaar van appellant gehandhaafd bij het bestreden besluit van 22 augustus 2007.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant bestrijdt in hoger beroep niet de grond van het verleende ontslag. Hij kan zich echter niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het college niet is gehouden tot het verstrekken van een compensatie die uitgaat boven de in het bestreden besluit gegeven garantie op een reguliere uitkering. Appellant stelt zich hierbij op het standpunt dat het college op ontoelaatbare wijze druk op hem heeft uitgeoefend om akkoord te gaan met het outplacementtraject door te dreigen met een strafontslag. Volgens appellant hebben de vertegenwoordigers van het college ter zitting van de rechtbank niet ontkend dat daarmee is gedreigd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 23 mei 2001, LJN AD3438 en TAR 2001, 122) kan de rechter slechts tot het oordeel komen dat een uitkeringsregeling op het niveau van de reguliere uitkeringen in geval van werkloosheid onvoldoende is, indien zou komen vast te staan dat het college een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag aanleiding heeft gegeven. Het standpunt van het college dat aan de vraag of er een zogenoemd ‘plusje’ moet worden gegeven pas wordt toegekomen als is vastgesteld dat het ontslag niet in stand kan blijven, is dan ook onjuist.

4.2. De Raad stelt vast dat in de gedingstukken geen aanknopingspunt is te vinden voor de juistheid van de stelling van appellant dat hij met strafontslag is bedreigd. Appellant heeft op de zitting bij de Raad toegegeven dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het in de brief van 25 oktober 2002 genoemde ontslag op grond van artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder c, van het ARA een strafontslag was. Aan de kant van appellant was dus kennelijk sprake van een misverstand over de strekking van de brief van 25 oktober 2002. Dit kan bezwaarlijk mede aan het college worden toegerekend.

4.3. Ook overigens kan de Raad, gelet op de onder 1.2 en 1.3 weergegeven feiten, niet vaststellen dat het college een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag aanleiding heeft gegeven. Voor toekenning van een uitkering boven de appellant in dit geval gegarandeerde uitkeringen bij werkloosheid bestaat dus geen grond.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD