Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9702

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2010
Datum publicatie
01-04-2010
Zaaknummer
09-407 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WUBO-uitkering. Onvoldoende gebleken dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/407 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 18 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 18 december 2008, kenmerk BZ 8686, JZ/F60/2008, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2010. Namens appellante is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in april 2008 een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering, een toeslag op grond van artikel 19 van de Wet en voorzieningen. Hierop is bij besluit van 27 augustus 2008 afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

2.1. Door en namens appellante zijn gebeurtenissen naar voren gebracht die naar haar mening tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet zouden moeten leiden. Dit betreft, kort samengevat:

- het meemaken van bombardementen op Bandoeng tijdens de Japanse bezetting;

- het moeten schuilen vanwege een luchtaanval tijdens een treinreis naar Semarang;

- het oplopen van een verwonding na het krijgen van een klap op haar hoofd in de tijd van de klopjachten in de Bersiap-periode;

- internering tijdens de Bersiap-periode.

2.2. Verweerster heeft ook in beroep het standpunt gehandhaafd dat directe betrokkenheid van appellante bij de bombardementen op Bandoeng en bij een luchtaanval tijdens de treinreis naar Semarang niet is komen vast te staan, dat voor de verwonding na het krijgen van een klap op het hoofd geen bevestiging is gekregen en dat niet is komen vast te staan dat het kamp waar appellante tijdens de Bersiap-periode heeft verbleven een interneringslocatie was.

2.3. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:

Degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen:

- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- ten gevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

2.4. De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellante naar voren is gebracht geen aanleiding gevonden het bij het bestreden besluit door verweerster ingenomen standpunt onjuist te achten. Appellante heeft aangegeven dat zij tijdens genoemde bombardementen en de luchtaanval dekking moest zoeken, maar heeft geen melding gemaakt van materiële schade in haar directe nabijheid en/of slachtoffers in haar directe omgeving bij die gebeurtenissen. Onder die omstandigheden is geen sprake van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld in de zin van artikel 2 van de Wet. Ten aanzien van de verwonding aan appellantes hoofd door een klap, is geen bevestiging uit overige gegevens gekregen, zoals een getuigenverklaring. Met betrekking tot het verblijf van appellante in het kamp tijdens de Bersiap-periode zijn geen nadere gegevens bekend geworden. Nu appellante heeft aangegeven dat dit kamp werd bewaakt door Japanners, kan de Raad verweerster volgen in het standpunt dat ervan moet worden uitgegaan dat dit een opvangkamp is geweest en geen interneringskamp. Mede gezien het eigen relaas van appellante, heeft de Raad geen aanleiding gevonden het door verweerster verrichte onderzoek onvolledig te achten.

2.5. Gezien het vorenstaande is onvoldoende gebleken dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wet en moet het beroep van appellante ongegrond worden verklaard.

2.6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD