Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9557

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2010
Datum publicatie
01-04-2010
Zaaknummer
09-3518 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toewijzen van functie. De Raad oordeelt dat de commandant, gezien de in de onder 1.3 vermelde brief uiteengezette noodzaak voor vulling van de (ow)functies aan de brigade KMar Schiphol, bij de functietoewijzing aan appellant aan artikel 23, aanhef, en onder a, van het AMAR heeft voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3518 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 mei 2009, 08/7569, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Koninklijke Marechaussee (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 18 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2010. Appellant is verschenen. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. Rentema-Westerhof, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is aangesteld bij het beroepspersoneel onbepaalde tijd van de Koninklijke marechaussee (hierna: KMar).

1.2. Appellant, die toen de rang had van wachtmeester der eerste klasse, heeft van mei 2005 tot in september 2005 de Hogere onderofficiers vorming (hierna: HOOV), groep 2005/4, gevolgd en met succes afgerond. Met ingang van 12 september 2005 is hij bevorderd tot opperwachtmeester (hierna: ow).

1.3. Bij brief van 9 mei 2005 heeft de rechtsvoorganger van de commandant aangegeven dat, gezien de operationele noodzaak tot vulling van het district KMar Schiphol, de Marechausseeraad heeft besloten om de leerlingen van de HOOV 2005/3 en 2005/4 rechtstreeks een functie op het niveau van ow toe te wijzen aan dat district; bijgevoegd was een lijst met in te vullen vacatures.

1.4. Bij besluit van 2 september 2005 is appellant voor de periode van 12 september 2005 tot 12 september 2008 de functie van C-DPLG VZ bij het district KMar Schiphol (hierna: functie) toegewezen. Het stond appellant vrij binnen die periode voor een andere functie elders zijn belangstelling kenbaar te maken. Dit heeft appellant gedaan, wat ertoe heeft geleid dat hij per mei 2007 geplaatst is in een functie bij de brigade [naam brigade] van het district [naam district].

1.5. De commandant heeft bij besluit van 27 april 2006 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar dat appellant tegen het besluit van 2 september 2005 had ingesteld, ongegrond verklaard. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 24 mei 2007 het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 11 september 2008, LJN BF1835, de uitspraak van 24 mei 2007 vernietigd en de zaak naar de rechtbank teruggewezen.

2. De rechtbank heeft vervolgens bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar haar oordeel is niet gebleken dat de commandant de functie niet in redelijkheid aan appellant heeft kunnen toewijzen.

3. Gelet op hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het besluit aan appellant de functie toe te wijzen, is gebaseerd op artikel 23, aanhef en onder a, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Volgens dit voorschrift wordt bij het nemen van een beslissing tot functietoewijzing rekening gehouden met de noodzaak van een voortdurende taakvervulling door de krijgsmacht en in samenhang daarmee van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies.

De Raad is van oordeel dat de commandant, gezien de in de onder 1.3 vermelde brief uiteengezette noodzaak voor vulling van de (ow)functies aan de brigade KMar Schiphol, bij de functietoewijzing aan appellant aan artikel 23, aanhef, en onder a, van het AMAR heeft voldaan. De bijlage bij die brief toont aan dat er in die tijd een groot aantal vacante functies op het niveau van ow bij die brigade was, waarvan sommige al een langere tijd vacant waren, én die wegens politieke besluitvorming dringend gevuld dienden te worden. Dat de besluitvorming van de Marechausseeraad, waarvan in de hiervoor genoemde brief sprake is, niet uit notulen blijkt is, anders dan appellant meent, niet van doorslaggevend belang nu niet deze raad, maar de ondertekenaar van de brief - de bevelhebber der KMar - destijds tot functietoewijzing bevoegd was.

3.2. Appellant heeft betoogd dat hem de functie desalniettemin niet had mogen worden toegewezen, nu het al de derde maal was dat hem een functie is toegewezen waar hij niet voor heeft geopteerd. Hij had daarom moeten worden ontzien en, in het bijzonder, voor toewijzing in een ow-functie bij de brigade KMar Soesterberg in aanmerking gebracht moeten worden, die tezelfdertijd eveneens vacant was. Die functie is evenwel aan een collega van appellant toegewezen, omdat voor die collega vanwege zijn woonplaats (Deventer) de werkplek op Schiphol moeilijker te bereiken zou zijn dan dat dit voor appellant het geval was. De raad stelt vast dat toewijzing van die functie hier niet in geding is.

3.3. Appellant heeft voorts betoogd dat de commandant niet naar behoren in zijn besluitvorming heeft betrokken dat het heen-en-weer reizen van zijn woonplaats naar zijn standplaats Schiphol onevenredig bezwaarlijk was.

De Raad volgt dit betoog, evenals de rechtbank, niet. Uit de door appellant ingebrachte gegevens hierover blijkt dat de reisduur per auto vice versa ongeveer drie uren bedroeg. De Raad acht deze reisduur voor appellant niet onaanvaardbaar, nog in aanmerking genomen dat appellant vanwege zijn dienstrooster veelal buiten de spits kon reizen. De enkele stelling van appellant dat hij ten gevolge van het reizen slaapproblemen heeft gekregen en een slaapmiddel moest gebruiken, is onvoldoende concreet om haar in de door appellant gewenste zin te kunnen laten wegen.

3.4. De stelling van appellant dat de commandant bij de functietoewijzing heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, verwerpt de Raad, waartoe hij aansluit bij hetgeen de rechtbank betreffende deze stelling in (rechtsoverweging 5.6 van) de aangevallen uitspraak heeft overwogen.

3.5. Appellant heeft ook gesteld dat het hem ten gevolge van de plaatsing bij de brigade KMar Schiphol niet mogelijk is geweest bepaalde cursussen te volgen, zodat die plaatsing voor zijn loopbaan nadelig was.

Appellant heeft deze stelling echter niet nader onderbouwd. Daarom kan de Raad appellant hier niet volgen.

4. Gezien het hiervoren overwogene slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet op artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is er geen grondslag aanwezig om aan appellant schadevergoeding toe te kennen. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD