Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9504

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
07-6703 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6703 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 november 2007, 07/1664 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 16 februari 2010, waar partijen zoals bericht niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf september 1994 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden. Haar echtgenoot is [in] 2004 overleden. Met ingang van 1 september 2004 ontvangt appellante een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante en haar overleden echtgenoot in Turkije drie huizen hadden bezeten, heeft de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam op 18 mei 2005 het Internationaal Bureau Fraude-informatie verzocht een onderzoek in te stellen naar het vermogen van appellante in Turkije. In dat kader heeft het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade te Ankara (hierna: ambassade) een onderzoek verricht. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 april 2006. Naar aanleiding daarvan heeft de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Daarbij is dossieronderzoek verricht en is appellante als verdachte verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 14 november 2006.

1.3. Op grond van de resultaten van dit onderzoek heeft het College bij besluiten van 14 november 2006 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellante verleende bijstand over de periode van 1 november 1999 tot en met 31 augustus 2004 ingetrokken en de kosten van algemene en bijzondere bijstand over deze periode tot bedragen van € 38.507,62 bruto en € 1.618,65 van haar teruggevorderd. Het College heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante in genoemde periode over een vermogen in de vorm van onroerend goed in het buitenland heeft beschikt, dat zij door daarvan geen melding te maken haar inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het recht op bijstand over de periode in geding niet is vast te stellen.

1.4. Bij besluit van 28 maart 2007 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 14 november 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 maart 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat de waarde van het onroerend goed in Turkije aanzienlijk lager is dan door het College is vastgesteld, zodat dit geen grondslag kon vormen voor intrekking en terugvordering van kosten van bijstand over de gehele periode in geding. Voorts betoogt zij dat er dringende redenen zijn op grond waarvan het College had moeten afzien van intrekking en terugvordering over de gehele periode. Die redenen zijn gelegen in de omstandigheid dat appellante zich, gezien haar positie in een cultureel bepaald traditioneel Turks gezin, niet mocht bemoeien met de afwikkeling van financiële aangelegenheden, waaronder uitkeringsrechten, omdat die behoren tot het domein van de man. Bovendien staat appellante onder psychiatrische behandeling en leidt het besluit er toe dat zij de rest van haar leven van een inkomen tot de hoogte van de beslagvrije voet moet rondkomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de tekst van de relevante wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Niet in geschil is dat de echtgenoot van appellante in de periode in geding eigenaar was van een woning met twee appartementen, drie stuks bouwgrond van totaal 231,9 m² en een akker van 11.043 m² in de gemeente Sorgun in Turkije en dat appellante noch haar echtgenoot hiervan mededeling hebben gedaan aan het College. Daaruit volgt dat zij de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Daarbij is van belang dat het bescheiden vrij te laten vermogen op 1 november 1999 € 8.939,47 en op 31 augustus 2004 € 10.130,00 bedroeg.

4.3. Het rapport van de ambassade van 24 april 2006 is gebaseerd op raadpleging van de openbare registers, buurtonderzoek ter plaatse en een taxatie van een lokale makelaar. De makelaar heeft de woning getaxeerd op - omgerekend tegen de toen geldende koers - € 60.760,22, de bouwgrond op € 1.409,03 en de akker op € 33.548,75, totaal € 95.718,--. De makelaar heeft daarbij verklaard dat de echtgenoot van appellante de woning een paar jaar daarvoor wilde verkopen voor een prijs van € 42.554,--.

4.4. Appellante heeft onder meer aangewend dat zij de woning op 1 maart 2007 heeft verkocht. In de daarvan opgemaakte akte is de koopprijs gesteld op - omgerekend naar de toen geldende koers - € 13.043,48. Appellant heeft voorts een deskundigenrapport ingebracht, waarin de waarde van de overige onroerende goederen op 30 januari 2008 op een bedrag van - omgerekend naar de toen geldende koers - € 4.247,42 is gesteld. Dit laatste bedrag is door het College gevolgd. Volgens het College vertegenwoordigt de woning evenwel een aanzienlijke waarde. Daartoe is onder meer betoogd dat in Turkije de vrije verkoopwaarde van onroerend goed twee tot vijf keer hoger is dan de in de registers geregistreerde verkoopwaarden, omdat de bij die transacties betrokken partijen om fiscale redenen belang hebben bij de registratie van een lagere dan de werkelijke verkoopprijs. Appellante heeft vastgehouden aan de door haar gestelde verkoopopbrengst.

4.5. De Raad stelt vast dat uit de eigen stellingen van appellante volgt dat de waarde van het vermogen van appellante en haar echtgenoot naar prijsbepalingen in 2006, 2007 en 2008 de voor gehuwden geldende vermogensgrens overtrof. Appellante heeft niets gesteld omtrent de waardeontwikkeling van de verschillende soorten onroerend goed in de betreffende regio vanaf 1 november 1999 tot heden. Gelet hierop en hetgeen in 4.3 en 4.4 is overwogen, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt, dat zij en haar echtgenoot in de periode vanaf 1 november 1999 tot en met 31 augustus 2004 een vermogen hebben gehad dat lager was dan de voor hen destijds geldende vermogensgrens. Evenmin heeft appellante de omvang van hun vermogen in die periode aannemelijk gemaakt. Het College heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van appellante en haar echtgenoot over de periode in geding niet is vast te stellen.

4.6. Hieruit volgt dat het College bevoegd was met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB de aan appellante en haar echtgenoot verleende bijstand over de periode in geding in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid tot intrekking.

4.7. Hieruit volgt dat het College bevoegd was met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van algemene en bijzondere bijstand over die periode van appellante terug te vorderen. Het College voert als beleid dat van terugvordering onder meer kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De Raad is van oordeel dat in hetgeen appellante in verband hiermee heeft aangevoerd geen dringende redenen zijn gelegen om van terugvordering af te zien en ook geen bijzondere omstandigheden, op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht van zijn beleid had moeten afwijken. Voor zover immers het aangevoerde betrekking heeft op de positie van appellante ten tijde van haar huwelijk ziet dit niet op de gevolgen van de terugvordering. Dat appellante door de terugvordering haar inkomen beperkt ziet tot een uitkering op het niveau van de beslagvrije voet, noopte het College niet geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) N.M. van Gorkum.

SG