Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9488

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
07-6852 WWB + 07-6854 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6852 WWB

07/6854 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 november 2007, 07/953 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het Dagelijks Bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug. gevestigd te Zeist (hierna: Dagelijks Bestuur).

Datum uitspraak: 16 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van een overdracht van bevoegdheden met betrekking tot de Wet werk en bijstand (WWB) is het Dagelijks Bestuur in de plaats getreden van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist. In deze uitspraak wordt onder het Dagelijks Bestuur tevens verstaan voormeld College.

Namens appellanten heeft mr. J.W. Aartsen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aartsen. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door V. Tuchkova, werkzaam bij de Regionale Sociale Dienst.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten hebben vanaf 1 januari 2005 op grond van de WWB bijstand ontvangen naar de norm voor gehuwden.

1.2. Tijdens een waarneming ter plaatse van het Interventieteam Utrecht, Gooi- en Vechtstreek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op 14 november 2006 bij [naam slagerij] te [vestigingsplaats] is gebleken dat appellant daar sinds 1 november 2006 werkzaam was. Aangezien bij de Regionale Sociale Dienst (hierna: RSD) niet bekend was dat appellant werkzaamheden verrichtte, heeft de sociale recherche Regio Zuid-Oost Utrecht een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is appellant verhoord en is bij diverse instanties informatie opgevraagd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 november 2006. Uit het onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat appellanten de beschikking hebben gehad over vier auto's, waarvan er slechts een bij de RSD bekend was, dat zij naast de twee opgegeven bankrekeningen beschikten over nog drie bankrekeningen en dat de vader van appellant een oude boerderij in Marokko heeft nagelaten. Bij brief van 1 december 2006 heeft de RSD appellanten opgeroepen en verzocht nadere informatie te verstrekken over het dienstverband van appellant, de auto's, en het onroerend goed in Marokko, alsmede om over de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 december 2006 alle afschriften over te leggen van de vijf bankrekeningen. Nadat appellant op 18 december 2006 wel was verschenen, maar niet de gevraagde gegevens had ingeleverd, zijn appellanten nogmaals in de gelegenheid gesteld om de gevraagde

informatie te verstrekken, en wel op 27 december 2006. Ook bij dat gesprek heeft appellant de gegevens niet overgelegd.

1.3. Bij besluit van 2 januari 2007 heeft het Dagelijks Bestuur de bijstand van appellanten met ingang van 1 november 2006 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant in zijn verklaring tegenover de sociale recherche van 14 november 2006 te kennen had gegeven met ingang van 1 november 2006 af te zien van een bijstandsuitkering.

1.4. Op 8 januari 2007 hebben appellanten een deel van de gevraagde gegevens verstrekt.

1.5. Bij besluit van 15 januari 2007 heeft het Dagelijks Bestuur de bijstand van appellanten over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 oktober 2006 herzien (lees: ingetrokken). Hieraan is de grondslag gelegd dat, nu appellanten niet alle gevraagde gegevens hebben verstrekt, het recht op bijstand vanaf 1 januari 2005 niet kan worden vastgesteld.

1.6. Bij besluit van 24 januari 2007 heeft het Dagelijks Bestuur de over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 oktober 2006 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 30.981,-- van appellanten teruggevorderd.

1.7. Bij beslissing op bezwaar van 26 februari 2007 heeft het Dagelijks Bestuur besloten het besluit van 2 januari 2007 niet te handhaven. Voorts zijn onder wijziging van de periode van intrekking van de bijstand naar de periode van 1 januari 2005 tot en met 15 januari 2007, de bezwaren tegen de besluiten van 15 januari 2007 en 24 januari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 26 februari 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellanten ook met de in beroep overlegde stukken niet hebben voldaan aan de inlichtingenplicht, omdat een substantieel aantal bewijsstukken, nodig voor de vaststelling van het recht op bijstand in de periode in geding, nog steeds ontbreekt.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Ook in hoger beroep hebben zij nog gegevens overgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de Raad staat vast, dat appellanten in de in geding zijnde periode naast de twee bij het Dagelijks Bestuur bekende bankrekeningen de beschikking hadden over nog drie bankrekeningen, die zij niet hadden opgegeven. Aangezien het hier gaat om gegevens die onmiskenbaar van belang kunnen zijn voor de verlening of voortzetting van de bijstand hebben appellanten, door van deze bankrekeningen geen melding te maken, de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Indien de belanghebbende aanvoert dat er wel recht op bijstand

is, dient hij aannemelijk te maken dat, indien de inlichtingenverplichting wel naar behoren zou zijn nagekomen, over de betrokken periode (aanvullend) bijstand zou zijn verleend.

4.3. De Raad stelt vast dat, rekening houdend met de ter zitting van de Raad nog overgelegde bankafschriften, nog steeds enkele bankafschriften van de indertijd verzwegen bankrekeningen ontbreken, te weten één afschrift van de Rabobank

privérekening [nr.], de afschriften vanaf medio september 2006 van de Fortis Bank privérekening [nr.] en alle afschriften van de bankrekening in Marokko met nummer [nr.]. Het is de Raad niet gebleken dat appellanten niet in staat waren om de ontbrekende afschriften alsnog over te leggen of anderszins informatie

te verstrekken. Op grond van de - eerst - ter zitting van de Raad overgelegde verklaring van Crédit du Maroc van 6 maart 2008 dat er op die datum op de rekening in Marokko geen saldo stond, is het daarentegen juist aannemelijk te achten dat deze bank op verzoek van appellanten ook informatie had kunnen verstrekken over het saldo gedurende de hier in geding zijnde periode.

4.4. Reeds op grond van de onvolledige informatie over de verzwegen bankrekeningen

heeft het Dagelijks Bestuur zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van appellanten over de periode van 1 januari 2005 tot en met 15 januari 2007 niet kon worden vastgesteld. Het Dagelijks Bestuur was op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB derhalve bevoegd de bijstand van appellanten over deze periode in te trekken. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het Dagelijks Bestuur niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.5. Het Dagelijks Bestuur was tevens op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot terugvordering van de over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 oktober 2006 gemaakte kosten van bijstand. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Dagelijks Bestuur bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering.

4.6. Gelet op het voorgaande behoeft de vraag of de onduidelijkheden over de auto’s, de werkzaamheden van appellant en het onroerend goed in Marokko terecht in de besluitvorming zijn betrokken thans geen nadere bespreking. Over het onroerend goed in Marokko overweegt de Raad volledigheidshalve nog wel dat het in de rede ligt dat appellant, als hij (opnieuw) in aanmerking zou willen komen voor bijstand, zijn stellingen dat het een vervallen boerderij van weinig waarde betreft, en dat hij de nalatenschap moet delen met acht broers en zusters, met concrete en objectieve gegevens onderbouwt.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

SG