Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9457

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
09-317 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging correctienota voor het premiejaar 2005, hierbij is het standpunt van de Belastingdienst delend dat [D] werkzaam was in een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. De Raad is van oordeel dat er voor [D.] een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting bestond op de grond dat de deskundigheid van [D.] voor dit werk, waarover hij tijdens het werken bij appellante middels het uitzendbureau had bewezen te beschikken, maakte dat het niet aannemelijk is dat [D.] zich door een derde zou kunnen laten vervangen. Die vervanging heeft zich in feite ook niet voorgedaan. Ook aan de voorwaarde dat de werkzaamheden zijn verricht in een gezagsverhouding tot appellante is naar het oordeel van de Raad voldaan. Ten aanzien van de aanwezigheid van een VAR-WUO voor de jaren vanaf 2006 stelt de Raad vast dat [D.] vóór 2005 over een VAR-loon beschikte, die juist inhield dat [D.] in dienstbetrekking stond. De Raad stelt vast dat [D.] tegen de VAR-loon geen bezwaar heeft gemaakt, zodat de VAR-loon in rechte vaststond. De aanwezigheid van een VAR-WUO voor latere jaren maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/317 ALGEM

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] gevestigd te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage 2 december 2008, 08/3674 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 11 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. F.A.L.J. van der Pas FB, belastingadviseur werkzaam bij Flynth te Naaldwijk, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2010. Voor appellante is verschenen mr. drs. Van der Pas voornoemd, terwijl het Uwv, na voorafgaand bericht, niet is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante exploiteert een rozenkwekerij. Bij een in juni 2007 door de Belastingdienst gehouden looncontrole is gebleken dat bij appellante in 2005 [naam loonbedrijf] werkzaam is geweest. De Belastingdienst heeft zich op het standpunt gesteld dat [D.] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam was. [D.] was belast met het klaarmaken van boeketten voor de veiling en voor opdrachtgevers. Hij stond aan het eind van een lopende band waarop de rozen werden aangevoerd en werkte samen met werknemers van appellante. Vóór 2005 heeft [D.] voor appellante via een uitzendbureau gewerkt. Toen deed hij hetzelfde werk en was ook belast met het knippen van de rozen. [D.] beschikte voor het belastingjaar 2005 over een verklaring van de Belastingdienst waaruit blijkt dat de inkomsten die [D.] heeft omschreven als ‘werkzaamheden in de agrarische sector’ voor de toepassing van de Wet op inkomstenbelasting 2001 als loon uit dienstbetrekking worden beschouwd (hierna: VAR-loon).

1.2. Het Uwv heeft in aansluiting op de rapportage van de Belastingdienst aan appellante een correctienota opgelegd voor het premiejaar 2005, hierbij het standpunt van de Belastingdienst delend dat [D.] werkzaam was in een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten.

1.3. Het bezwaar tegen de correctienota 2005 is bij besluit van 2 april 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat er voor [D.] noch een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting bestond, noch dat er sprake was van een gezagsverhouding. Voorts is een beroep gedaan op het feit dat aan [D.] voor de belastingjaren na 2005 door de Belastingdienst een Verklaring Arbeidsrelatie ‘winst uit onderneming’ (VAR-WUO) is afgegeven en appellante op basis hiervan zich niet geconfronteerd wist met naheffingsaanslagen loonheffing. Bovendien hebben [D.] en appellante nimmer de intentie gehad een arbeidsovereenkomst te sluiten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop, dit in overeenstemming met vaste rechtspraak van de Raad, dat de feiten en omstandigheden waaronder iemand werkt, bepalend zijn voor de vraag of aan alle vereisten voor de aanwezigheid van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten is voldaan. De intentie van partijen speelt hier derhalve geen rol van betekenis.

4.2. De Raad is van oordeel dat er voor [D.] een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting bestond op de grond dat de deskundigheid van [D.] voor dit werk, waarover hij tijdens het werken bij appellante middels het uitzendbureau had bewezen te beschikken, maakte dat het niet aannemelijk is dat [D.] zich door een derde zou kunnen laten vervangen. Die vervanging heeft zich in feite ook niet voorgedaan.

4.3. Ook aan de voorwaarde dat de werkzaamheden zijn verricht in een gezagsverhouding tot appellante is naar het oordeel van de Raad voldaan. De werkzaamheden waren volledig ingebed in de bedrijfsvoering van appellante. Deze werkzaamheden waren bovendien van essentiële betekenis. Zij vormden het sluitstuk van het productieproces van appellante. Bovendien verschilden de werkzaamheden niet of nauwelijks van de werkzaamheden die [D.] vóór 2005 voor appellante heeft verricht. Dit maakt dat het voor de hand ligt dat [D.] aansturing van de kant van appellante kreeg. [D.] had ook dezelfde werktijden als de overige werknemers van appellante.

4.4. Ten aanzien van de aanwezigheid van een VAR-WUO voor de jaren vanaf 2006 stelt de Raad vast dat [D.] vóór 2005 over een VAR-loon beschikte, die juist inhield dat [D.] in dienstbetrekking stond. De Raad stelt vast dat [D.] tegen de VAR-loon geen bezwaar heeft gemaakt, zodat de VAR-loon in rechte vaststond. De aanwezigheid van een VAR-WUO voor latere jaren maakt dit niet anders.

4.5. Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.L.G. Boot.

IJ