Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9381

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2010
Datum publicatie
30-03-2010
Zaaknummer
08-7249 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering heropening WAO-uitkering op de rond dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Evenals de rechtbank ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts niet voldoende zorgvuldig is uitgevoerd. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische aspecten aangevoerd die tot een ander oordeel dienen te leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7249 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 november 2008, 08/608 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 26 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2010, waar mr. Brouwer namens appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.M. Schuyt.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is in 1999 als gevolg van psychische klachten uitgevallen voor haar werk als verkoopmedewerkster. Met ingang van 17 juli 2000 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 13 juli 2004 is deze uitkering ingetrokken per 18 augustus 2004, omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij brief van 10 november 2006 heeft appellante verzocht om een herbeoordeling in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid en daarbij vermeld dat zij sinds november 2005 weer onder behandeling is van een psychiater van PsyQ. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 12 juni 2007 geweigerd de WAO-uitkering van appellante te heropenen, omdat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar is, na een medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts, bij besluit van 13 december 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en zag evenmin reden tot twijfel aan de juistheid van het oordeel dat er geen sprake is van een toename van de psychische beperkingen van appellante met ingang van 18 augustus 2004 danwel november 2005.

3. Appellante heeft in hoger beroep haar beroepsgrond herhaald dat het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig is uitgevoerd, nu de opgevraagde medische informatie van de huisarts niet is afgewacht. Verder heeft appellante aangevoerd dat er wel degelijk sprake is van een toename van haar pyschische klachten per november 2005 en zij verwijst daartoe naar medische informatie van PsyQ en haar huisarts.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Evenals de rechtbank ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts niet voldoende zorgvuldig is uitgevoerd. Daarbij tekent de Raad aan dat de verzekeringsarts appellante heeft onderzocht en bij de beoordeling de verkregen informatie van de huisarts van 19 februari 2007 heeft meegewogen. Zoals afgesproken tijdens de hoorzitting heeft de bezwaarverzekeringsarts bij brief van 14 november 2007 de huisarts verzocht om een afschrift van het medisch journaal over de periode januari 2004 tot en met december 2006 en daarbij een reactietermijn van drie weken vermeld. Tijdens deze reactietermijn is op 29 november 2007 telefonisch contact geweest met de gemachtigde van appellante en een medewerker van het Uwv, resulterende in de afspraak dat appellante vóór medio december de verzochte informatie zal trachten in te brengen. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens op 12 december 2007 gerapporteerd zonder dat het medisch journaal is afgewacht. Vanwege het feit dat de aanvankelijk gestelde termijn van drie weken op dat moment reeds was verstreken, alsmede de omstandigheid dat appellante eerst op 17 december 2007 de informatie van haar huisarts had ontvangen, acht de Raad het niet onzorgvuldig dat de bezwaarverzekeringsarts zijn onderzoek heeft afgerond zonder daarbij te wachten op de gevraagde informatie. De Raad wijst er bovendien nog op dat de bezwaarverzekeringsarts alsnog het in de beroepsfase ingebrachte medisch journaal kenbaar heeft meegewogen, zonder dat dit hem tot een ander standpunt bracht.

4.3. Verder is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om de medische beoordeling van de (bezwaar)verzekeringsarts onjuist te achten. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische aspecten aangevoerd die tot een ander oordeel dienen te leiden.

4.4. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) D.E.P.M. Bary.

KR