Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9346

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2010
Datum publicatie
30-03-2010
Zaaknummer
09-4862 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Bij uitspraak van 1 augustus 2007, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Het Uwv is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Bij uitspraak van 18 februari 2009, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 1 augustus 2007 vernietigd en de zaak terug gewezen naar de rechtbank, waarna de rechtbank het beroep opnieuw in behandeling heeft genomen. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De Raad is van oordeel dat inderdaad geen sprake is van het aanvoeren van nieuwe gronden zoals aan de orde in de door de rechtbank genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar van een nadere onderbouwing van de eerder aangevoerde gronden. De rechtbank heeft de namens appellante ingezonden medische stukken en de reactie daarop van de bezwaarverzekeringsarts daarom ten onrechte buiten beschouwing gelaten. De uitspraak komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal de zaak niet opnieuw terugwijzen maar hierna zelf een oordeel geven over de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Bij zijn oordeel over de belastbaarheid van appellante betrekt de Raad mede de door de rechtbank buiten beschouwing gelaten medische stukken. Geen aanknopingspunten om de vastgestelde belastbaarheid onjuist te achten. De voorgehouden functies zijn in overeenstemming met de belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4862 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 juli 2009, 09/469 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.A.M.H. Fiori, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2010. Zoals tevoren was bericht zijn appellante, noch haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in mei 1996 uitgevallen voor haar functie als radiodiagnostisch laborant als gevolg van een verkeersongeluk. Zij ontving sinds 22 mei 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 15 november 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 16 januari 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. Dit besluit berust op het standpunt dat appellante op 16 januari 2006, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen, met het voor haar geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit dat minder is dan 15%.

1.3. Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Aangevoerd is dat de verzekeringsarts niet naar haar geluisterd heeft en dat het onderzoek erg onzorgvuldig is geweest. Haar belastbaarheid is zeer wisselend, waardoor ze niet kan aangeven of ze op een bepaald tijdstip kan functioneren. Ook heeft zij een slaapstoornis waardoor ze al jaren zeer weinig slaapt. Er zijn grote verschillen tussen de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) die in 2002 is opgesteld en de FML die ten grondslag ligt aan de schatting per 16 januari 2006, terwijl haar medische situatie niet is gewijzigd. Zo zijn in de FML van 2002 beperkingen aangenomen in de rubrieken 1 en 2 (persoonlijk en sociaal functioneren) en 4 (dynamische handelingen) die in de nieuwe FML zijn komen te vervallen. Voorts is in de FML van 2002 een urenbeperking aangenomen van 10 uur per week, terwijl appellante nu in staat wordt geacht om 40 uur per week te werken.

1.4. Bij besluit van 27 juli 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2.1. Bij uitspraak van 1 augustus 2007, 06/1569, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Het Uwv is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Bij uitspraak van 18 februari 2009, 07/4787, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 1 augustus 2007 vernietigd en de zaak terug gewezen naar de rechtbank, waarna de rechtbank het beroep opnieuw in behandeling heeft genomen.

2.2. De gemachtigde van appellante heeft in dat beroep nadere medische stukken ingezonden. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat deze stukken buiten beschouwing dienen te worden gelaten en heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 maart 2005 (LJN AT3336) waarin is geoordeeld dat na de terugwijzing naar de rechtbank geen nieuwe beroepsgronden meer mogen worden aangevoerd. Dit uitgangspunt hanteerde de rechtbank eveneens ten aanzien van de door het Uwv ingezonden reactie op de voornoemde stukken. Het ter zitting van de rechtbank door appellante gedane verzoek om een deskundige te benoemen is om dezelfde reden afgewezen.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsgeneeskundige advisering die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit in overeenstemming is met de eisen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de overige daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden de eindconclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de in het dossier aanwezige gegevens voor zover de rechtbank die niet buiten beschouwing heeft gelaten, de conclusie kunnen dragen dat appellante in medisch opzicht in staat is tot het vervullen van de voor haar geselecteerde functies. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat het op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) partijen is toegestaan tot uiterlijk 10 dagen voor de zitting nadere stukken in te dienen. Van nieuwe gronden is naar het oordeel van appellante geen sprake nu reeds vanaf de bezwaarprocedure op medische gronden wordt geprocedeerd. Appellante heeft met de ingezonden medische stukken haar eerder ingenomen standpunt nader willen onderbouwen. Het betreft nadere informatie van de behandelend sector, onder andere van de neurologen J. Arends en

Th. W. Rentmeester, van de zenuwarts F.R.J. Verhey en van de gezondheidspsycholoog E. Steins. Deze stukken zijn op 29 mei 2009 per fax aan de rechtbank toegezonden. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2009. Hierdoor is voldaan aan de door de rechtbank gestelde termijn van 10 dagen.

4.1. De Raad is van oordeel dat inderdaad geen sprake is van het aanvoeren van nieuwe gronden zoals aan de orde in de door de rechtbank genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar van een nadere onderbouwing van de eerder aangevoerde gronden. De rechtbank heeft de namens appellante ingezonden medische stukken en de reactie daarop van de bezwaarverzekeringsarts daarom ten onrechte buiten beschouwing gelaten. De uitspraak komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal de zaak niet opnieuw terugwijzen maar hierna zelf een oordeel geven over de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Bij zijn oordeel over de belastbaarheid van appellante betrekt de Raad mede de door de rechtbank buiten beschouwing gelaten medische stukken.

4.2. De bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen heeft in haar rapport van 6 juli 2006 aangegeven dat de verzekeringsarts in 2002 de rubrieken 1 en 2 van de FML meer klachtcontingent heeft ingevuld ondanks het ontbreken van ernstige psychopathologie en duidelijk objectiveerbare afwijkingen op dat vlak bij neuropsychologisch onderzoek. De beperkingen in de rubrieken 1 en 2 van de FML zijn dan ook niet te onderbouwen. Ook een deel van de fysieke beperkingen die toen zijn aangegeven is niet te onderbouwen vanuit de gegevens in het dossier. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de medische situatie van appellante sinds de laatste beoordeling in 2002 is verbeterd. Zo is er een verbetering van het persoonlijk functioneren en is het spierstelsel van appellante sterker geworden. De bezwaarverzekeringsarts Heeskens-Reijnen zag geen indicatie voor een urenrestrictie.

4.3. De bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp is in zijn rapport van 3 juni 2009 uitvoerig ingegaan op de inhoud van de aan de rechtbank gezonden nadere medische stukken en zag daarin geen reden om tot een herziening van de medische grondslag van het bestreden besluit te komen. Waasdorp heeft erop gewezen dat uit het neuropsychiatrisch onderzoek van de zenuwarts Verhey geen aanwijzingen voor cognitieve stoornissen naar voren zijn gekomen. Als diagnose op het gebied van de psychiatrie is een somatoforme stoornis gesteld ofwel een klachtenpatroon met lichamelijke klachten zonder feitelijke lichamelijke afwijkingen. Ten aanzien van het sociaal functioneren wordt een zogeheten GAF-score gemeten van 75, welke score veel beter is dan op grond van het klachtenpatroon bij arbeidsongeschiktheidsregelingen was aangegeven. Uit een slaaponderzoek dat is verricht door het Centrum voor Slaap- en Waakstoornissen Kempenhaeghe is gebleken dat de beleving van de slaap niet consistent is met de objectieve onderzoeksbevindingen. Er is sprake van een zogeheten “slaapmisperceptie” waarbij de inslaapduur wordt overschat en de slaapduur onderschat. Volgens Waasdorp is dit geen uiting van ziekte in engere zin. Waasdorp onderschrijft het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts Heeskens-Reijnen dat er in 2002 ten onrechte beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van het concentreren, aandacht verdelen en het zich herinneren. Ook overigens onderschrijft hij de bevindingen van Heeskens-Reijnen.

4.4. De Raad ziet in het dossier geen aanknopingspunten om de conclusies van de bovengenoemde bezwaarverzekeringsartsen met betrekking tot de belastbaarheid van appellante ten tijde hier van belang onjuist te achten. Ook het in hoger beroep ingezonden verslag van een intakegesprek op 28 september 2009 in verband met de aanmelding voor een dagbehandeling bij de revalidatieafdeling van het Academisch Ziekenhuis in Maastricht heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid.

4.5. De aan appellante voorgehouden functies zijn naar het oordeel van de Raad in overeenstemming met de voor haar geldende belastbaarheid. Hieruit volgt dat de gronden van appellante tegen het bestreden besluit geen doel treffen.

5. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) A.E. van Rooij.

GdJ