Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9282

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2010
Datum publicatie
29-03-2010
Zaaknummer
08-4798 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. De Raad stelt vast dat niet ter discussie staat dat ten aanzien van appellante de noodzaak van een medische urenbeperking bestaat; slechts omvang waarin deze moet gelden is in geschil. Met betrekking tot de vraag of met een medische urenbeperking van vier uur per dag/20 per week de belastbaarheid van appellante op juistheid is gewaardeerd, overweegt de Raad dat hij in de rapporten van internist prof. dr. Schouten, van verzekeringsarts Nasheed-Linssen en in het gegeven dat appellante in 2007 een door haar beproefde urenuitbreiding naar 20 uur per week - in het eigen werk als management-assistente - niet heeft kunnen volhouden, voldoende aanknopingspunten ziet om te oordelen dat het Uwv die belastbaarheid heeft overschat. De Raad concludeert op grond van het voorgaande dat het bestreden besluit een juiste medische grondslag ontbeert en dat dit besluit vanwege strijd met artikel 3:2 van de Awb niet in stand kan blijven. Ook de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het Uwv zal de belastbaarheid van appellante en haar geschiktheid voor de geduide functies per datum in geding opnieuw moeten beoordelen, waarbij hij uit dient te gaan van een maximale urenbelasting van 12 uren per week.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4798 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 juli 2008, 07/1021 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Als partij aan het geding heeft deelgenomen het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] (hierna: de werkgever).

Datum uitspraak: 26 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.G. Mostert, juridisch adviseur te Oirsbeek, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 9 september 2008 is een rapport van verzekeringsarts J.J. Nasheed-Linssen ingediend.

Het Uwv heeft bij wijze van verweer een rapport van 29 januari 2009 van bezwaarverzekeringsarts J.W. Heijltjes ingediend, voorzien van documentatie.

Appellante heeft geen toestemming verleend om haar medische gegevens aan haar werkgever ter kennisname te brengen. Om die reden heeft de Raad, met toepassing van artikel 8:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de werkgever afschrift doen toekomen van alleen de niet-medische stukken.

De werkgever heeft afgezien van de mogelijkheid om een schriftelijke uiteenzetting te geven.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 12 februari 2010. Namens appellante is verschenen mr. Mostert, voornoemd. De werkgever was vertegenwoordigd door

mr. I. Sibbing-Hodzelmans. Het Uwv was vertegenwoordigd door H.A.T. Laaracker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als management-assistente voor 36 uur per week bij de werkgever. Zij is op 24 november 2004 uitgevallen met lichamelijke klachten. Nadien heeft zij een chemotherapie en stamceltransplantatie ondergaan vanwege een acute myeloïde leukemie.

1.2. In april 2006 is appellante gestart met re-integratie in haar eigen werk in een omvang van twee maal twee uur per week. Later heeft zij dat uitgebreid naar drie maal vier uur per week.

1.3. In het kader van een aanvraag om uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante onderzocht op het spreekuur van 28 november 2006 van verzekeringsarts M. Spuijbroek. Deze heeft een zogenoemde functionele mogelijkheden lijst (FML) opgesteld en informatie ingewonnen bij de appellante behandelend internist prof. dr. H.C. Schouten.

1.4. Aan de hand van de FML en een selectie van theoretische functies heeft arbeidsdeskundige R.A. Bastiaens de theoretische restverdiencapaciteit per maand berekend op € 963,73, hetgeen betekent een verlies aan verdiencapaciteit van ruim 65%.

1.5. Bij (primair) besluit van 26 januari 2007 is aan appellante medegedeeld dat voor haar per 21 november 2006 een recht op WIA-uitkering, te weten een loongerelateerde WGA-uitkering, is ontstaan, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.

1.6. In het kader van de bezwaarschriftprocedure is appellante op de hoorzitting gezien door bezwaarverzekeringsarts Heijltjes, die de FML wat betreft de werktijden enigszins heeft aangepast. Appellante wordt geschikt geacht om gemiddeld ongeveer vier uur per dag, 20 uur per week te werken. De bezwaararbeidsdeskundige heeft aan de hand van een nieuwe functieselectie het verlies aan verdienvermogen berekend op 69,99%.

2. Bij besluit op bezwaar van 25 juni 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante, gericht tegen het besluit van 26 januari 2007, ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante, ingesteld tegen het besluit van 25 juni 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat uit de door appellante ingebrachte algemene en patiënt-specifieke informatie van internist Schouten niet volgt dat zij slechts belastbaar is voor maximaal twaalf uur per week. Op goede gronden zijn geen psychische beperkingen aangenomen. Het medisch onderzoek is door de rechtbank niet onzorgvuldig geoordeeld.

3.2. De rechtbank kon zich eveneens vinden in de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en achtte de geduide functies afdoende toegelicht.

4.1. Het hoger beroep van appellante keert zich tegen de medische grondslag van het bestreden besluit, en dan met name de urenbeperking. Onder verwijzing naar het door appellante ingezonden rapport van 3/5 september 2008 van verzekeringsarts Nasheed-Linssen en een eerdere door haar ondernomen - vergeefse - poging om gedurende 20 uur per week haar werk te doen, heeft appellante gesteld niet meer dan 12 uur per week te kunnen werken.

4.2. Het Uwv heeft onder verwijzing naar de rapporten van bezwaarverzekeringsarts Heijltjes en algemene medische informatie omtrent vermoeidheid van (ex)kankerpatiënten, zijn standpunt gehandhaafd.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante desgevraagd aangegeven alsnog geen bezwaar te hebben tegen inzage van de medische gegevens door de werkgever.

5.2. De Raad stelt vast dat niet ter discussie staat dat ten aanzien van appellante de noodzaak van een medische urenbeperking bestaat; slechts omvang waarin deze moet gelden is in geschil.

5.3. Met betrekking tot de vraag of met een medische urenbeperking van vier uur per dag/20 per week de belastbaarheid van appellante op juistheid is gewaardeerd, overweegt de Raad dat hij in de rapporten van internist prof. dr. Schouten, van verzekeringsarts Nasheed-Linssen en in het gegeven dat appellante in 2007 een door haar beproefde urenuitbreiding naar 20 uur per week - in het eigen werk als management-assistente - niet heeft kunnen volhouden, voldoende aanknopingspunten ziet om te oordelen dat het Uwv die belastbaarheid heeft overschat. Met name de door Schouten geschetste zeer ernstige vermoeidheidsklachten en de relatief korte tijdspanne die gelegen is tussen de door appellante ondergane therapieën en de datum in geding zijnde 21 november 2006, hebben voor de Raad daarbij de doorslag gegeven.

5.4. De Raad concludeert op grond van het voorgaande dat het bestreden besluit een juiste medische grondslag ontbeert en dat dit besluit vanwege strijd met artikel 3:2 van de Awb niet in stand kan blijven. Ook de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

5.5. Het Uwv zal de belastbaarheid van appellante en haar geschiktheid voor de geduide functies per datum in geding opnieuw moeten beoordelen, waarbij hij uit dient te gaan van een maximale urenbelasting van 12 uren per week.

6. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1288,-. Met betrekking tot de vordering van de kosten van het uitgebrachte rapport van J.J. Nasheed-Linssen ad € 500,- is de Raad van oordeel dat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.788,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) A.E. van Rooij.

GdJ