Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9277

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2010
Datum publicatie
29-03-2010
Zaaknummer
08/4375 WAO + 08/4376 WAO + 08/4377 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op en terugvordering WAO-uitkering. Oplegging boete. De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak I, voor zover van belang, geoordeeld dat de Raad zich in zijn hiervoor gedeeltelijk aangehaalde uitspraak over het dagloon en maatmaninkomen heeft uitgesproken, zodat deze kwesties rechtens onaantastbaar zijn geworden en derhalve niet (meer) in beroep aan de orde kunnen komen. De Raad stelt voorop dat het feitelijk genoten loon uitgangspunt dient te zijn bij de vaststelling van het maatmaninkomen. De beweerdelijk door zijn werkgever in het vooruitzicht gestelde loonsverhoging van fl. 725,-- per week netto is feitelijk nooit aan appellant betaald. Dat is door appellant ook niet betwist. Evenmin heeft appellant bij zijn werkgever aanspraak gemaakt op betaling van dat bedrag. Vast staat immers dat bedoelde loonsverhoging niet zou worden uitbetaald, omdat het totaalbedrag ervan zou dienen als (begin)kapitaal bij een door appellant en zijn werkgever eind 1991 op te richten vennootschap, welk voornemen door het faillissement van de werkgever nooit is gerealiseerd. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv op goede gronden is uitgegaan van een gemiddelde werkweek van 15 uur per week. Aan de verklaringen van enkele familieleden, die appellant nadien in beroep en in hoger beroep heeft overgelegd, kan niet dat gewicht worden toegekend dat appellant eraan toegekend wil zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4375 WAO, 08/4376 WAO en 08/4377 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Zutphen van 10 juni 2008, 07/976 (hierna: aangevallen uitspraak I), 08/343 (hierna: aangevallen uitspraak II) en 08/346 (hierna: aangevallen uitspraak III),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal. hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. van Leeuwen.

Omdat de Raad van oordeel was dat het onderzoek niet volledig is geweest, is het onderzoek heropend.

Bij brief van 23 september 2009 heeft de Raad een vraagstelling aan het Uwv gericht.

Bij brieven van 15 en 19 oktober 2009 heeft het Uwv op deze vraagstelling gereageerd.

Bij brieven van 26 oktober 2009 en 9 november 2009 heeft mr. Van Ham een reactie ingezonden.

Op 12 februari 2010 heeft opnieuw onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is verschenen, wederom met bijstand van zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij een drietal besluiten op bezwaar van 15 mei 2007 heeft het Uwv beslist, dat

a) de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met toepassing van artikel 44 van de WAO met ingang van 1 juli 1997 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%;

b) het bedrag dat van appellant wordt terugevorderd ter zake van over de periode

1 juli 1997 tot 1 juli 2000 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering wordt gesteld op

€ 21.093,90 (bruto);

c) de aan appellant opgelegde boete € 2.112,-- bedraagt.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de hiervoor genoemde bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraken.

4. Zoals op de zittingen van 17 juli 2009 en 12 februari 2010 besproken hebben de beroepsgronden van appellant uitsluitend nog betrekking op

(a) de vaststelling van het maatmaninkomen (zie hierna: overweging 5) en

(b) de omvang van de ‘zwart’ verrichte werkzaamheden in de periode van 26 december 1998 tot 6 september 1999 (zie hierna: overweging 6).

5. Met betrekking tot het onder (a) genoemde punt van geschil overweegt de Raad als volgt.

5.1. Aan de tussen appellant en (een rechtsvoorganger van) het Uwv gegeven uitspraak van de Raad van 16 april 1998, (97/516 WAO, 97/517 ZW en 97/518 WW), ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

“Appellant is na een langdurig arbeidsverleden in het slachtersvak in 1990 in dienst getre-den b[naam werkgever] te [vestigingsplaats], een bedrijf dat uitbeenploegen onder leiding van een voorman ter beschikking stelde aan verschillende slachterijen in den lande. Appellant was voorman: hij hield toezicht op zijn ploeg en sprong bij waar dat no¬dig was. In decem-ber 1990 is [naam werkgever] overgenomen door [naam bedrijf A] (hierna: [bedrijf A]) te [plaatsnaam] en kwam appellant bij dat bedrijf in dienst. Omdat de nieuwe directie weinig of geen erva-ring had in de vleesbranche, werd appellant al snel gevraagd om bedrijfsleider te worden. Naar appellant ter zitting heeft verklaard, is daartoe in februari een nieuwe arbeidsovereen-komst opgemaakt, waarin een proeftijd voor de nieuwe functie was opgenomen van twee maanden. Bij goed functione¬ren werd zijn sala¬ris met ingang van 1 april 1991 in verband met de forse functieverzwaring verhoogd tot netto f 1.5¬00,-- per week -neerkomend op f 3.021,54 bruto per week in¬clu¬sief over¬hevelingstoeslag en f 2.876,22 bruto exclusief overhevelingstoeslag. Partijen waren van mening dat dat een reële beloning was, gegeven het feit dat appel¬lant de acquisitie moest verzorgen, verantwoor¬delijk was voor het gehele personeels¬bestand en in feite dag en nacht beschik¬baar moest zijn. Tevens werd appellant in het vooruitzicht gesteld dat hij aan het einde van het jaar mede-eigenaar van het bedrijf zou worden. Met het oog daarop werd af-gesproken dat de overeengekomen loons¬verho¬ging van f 725,-- per week netto, niet direct bij elke wekelijkse loon¬be¬taling zou worden uitbetaald, doch voor ap¬pellant zou worden gereser¬veerd om daarmee te zijner tijd de voorgeno¬men parti¬cipatie in de onderneming te kunnen finan¬cie¬ren.”.

5.2. De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak I, voor zover van belang, geoordeeld dat de Raad zich in zijn hiervoor gedeeltelijk aangehaalde uitspraak over het dagloon en maatmaninkomen heeft uitgesproken, zodat deze kwesties rechtens onaantastbaar zijn geworden en derhalve niet (meer) in beroep aan de orde kunnen komen.

5.3. Het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank over de strekking van zijn uitspraak van 16 april 1998 deelt de Raad niet. Die uitspraak betrof immers een geschil over het dagloon en niet het maatmaninkomen.

5.4. De Raad stelt voorop dat het feitelijk genoten loon uitgangspunt dient te zijn bij de vaststelling van het maatmaninkomen. De beweerdelijk door zijn werkgever in het vooruitzicht gestelde loonsverhoging van fl. 725,-- per week netto is feitelijk nooit aan appellant betaald. Dat is door appellant ook niet betwist. Evenmin heeft appellant bij zijn werkgever aanspraak gemaakt op betaling van dat bedrag. Vast staat immers dat bedoelde loonsverhoging niet zou worden uitbetaald, omdat het totaalbedrag ervan zou dienen als (begin)kapitaal bij een door appellant en zijn werkgever eind 1991 op te richten vennootschap, welk voornemen door het faillissement van de werkgever nooit is gerealiseerd.

6. Met betrekking tot het onder (b) genoemde punt van geschil overweegt de Raad als volgt.

6.1. Volgens vaste rechtspraak is een bestuursorgaan bevoegd in het geval waarin de verzekerde verzuimd heeft concrete, verifieerbare gegevens betreffende zijn inkomsten te verstrekken, om die inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Naar het oordeel van de Raad is het Rapport Werknemersfraude van 14 december 2004 voldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Verder is het inzichtelijk en concludent. In beginsel dient van de juistheid van tegenover opsporingsambtenaren afgelegde en ondertekende verklaringen te worden uitgegaan. Uit de verklaring van appellant van 27 mei 2004, die hij zonder enig voorbehoud te maken, heeft ondertekend en waarvan de inhoud mede wordt bevestigd door verklaringen van andere betrokkenen, komt duidelijk naar voren dat appellant vanaf eind 1994 tot begin 2001 arbeid heeft verricht en inkomsten heeft verworven, dus ook in de door hem thans betwiste periode van 26 december 1998 tot 6 september 1999. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv op goede gronden is uitgegaan van een gemiddelde werkweek van 15 uur per week. Aan de verklaringen van enkele familieleden, die appellant nadien in beroep en in hoger beroep heeft overgelegd, kan niet dat gewicht worden toegekend dat appellant eraan toegekend wil zien.

7. Uit de overwegingen 4 tot en met 6.1 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak I niet slaagt. Deze uitspraak dient, zij het met enige verbetering van gronden, te worden bevestigd.

8. Uit het hiervoor over aangevallen uitspraak I gegeven oordeel en de vaststelling dat de tegen de aangevallen uitspraken II en III aangevoerde beroepsgronden niet langer worden gehandhaafd, vloeit voort dat de daartegen ingestelde hoger beroepen evenmin slagen. Ook deze uitspraken dienen te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) A.E. van Rooij.

TM