Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9022

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
08-5589 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering premie-restitutie en wettelijke rente. De besluiten tot heffing van de premies zijn in rechte onaantastbaar geworden. Inmiddels heeft het Uwv de onjuistheid van deze besluiten erkend, op de grond dat alsnog is gebleken dat El K. illegaal hier te lande verbleef. Het betreft hier evenwel een omstandigheid die volledig aan appellante dient te worden toegerekend. Zij heeft geen gebruik gemaakt van de voor haar tegen deze besluiten openstaande rechtsmiddelen.

Wetsverwijzingen
Coördinatiewet Sociale Verzekering
Coördinatiewet Sociale Verzekering 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5589 ALGEM

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[naam besloten vennootschap], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Hertogenbosch van 18 augustus 2008, 07/1655 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 11 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.J.E. Verlinden, verbonden aan ABAB te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2010. Namens appellante zijn verschenen mr. Verlinden en H.J. den Ouden. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Uit onderzoek door de Belastingdienst en de Koninklijke marechaussee is naar voren gekomen dat in de administratie van appellante met betrekking tot 34 van haar werknemers afschriften van valse of vervalste identiteitsdocumenten zijn opgenomen. Voorts is bij een controle door de Arbeidsinspectie vastgesteld dat één buitenlandse werknemer (El K.) onrechtmatig in Nederland verbleef. Op grond van deze - nieuw gebleken - feiten en omstandigheden heeft de raadsman van appellante het Uwv bij brief van 23 november 2006 verzocht om restitutie van de door appellante voor de betrokkenen afgedragen premies werknemersverzekeringen over de jaren 2001 tot en met 2005. Daarbij is tevens aanspraak gemaakt op betaling van wettelijke rente.

1.2. Bij besluit van 12 december 2006 heeft het Uwv het verzoek om premierestitutie wat betreft El K. ingewilligd, dit verzoek voor het overige afgewezen en geweigerd wettelijke rente te vergoeden.

1.3. Bij besluit van 11 april 2007 heeft het Uwv het hiertegen gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard en haar verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1. Het verzoek van appellante om premierestitutie is gebaseerd op de omstandigheid dat op grond van de zogeheten Koppelingswet een vreemdeling die - kort gezegd - niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt voor de werknemersverzekeringen niet als werknemer wordt beschouwd en daarom niet onder de verzekeringsplicht valt. Nu vast staat dat de betrokken 34 arbeidskrachten zich hebben bediend van valse identiteitspapieren, moet volgens appellante worden aangenomen dat zij illegaal in Nederland verbleven.

3.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de laatstbedoelde redenering van appellante niet opgaat. Volgens vaste rechtspraak ligt het primair op de weg van de werkgever om zich te vergewissen van de verblijfsrechtelijke positie van zijn werkgevers (CRvB 20 januari 2005, LJN AS7596). Het Uwv mag er in beginsel van uitgaan dat een werkgever slechts voor (verzekerde) werknemers loonopgave doet en premies afdraagt. Indien de werkgever zich, zoals appellante, enige jaren later op het standpunt stelt dat sprake was van illegale werknemers, mag van de werkgever worden verwacht dat hij sluitend bewijs levert van de juistheid van die stelling (CRvB 1 september 2005, LJN AU2400). De Raad acht dit bewijs niet geleverd met de enkele vaststelling dat de betrokken arbeidskrachten zich tegenover de werkgever met valse papieren hebben geïdentificeerd. Voor die handelwijze kunnen ook andere motieven bestaan dan het ontbreken van een genoegzame titel voor verblijf in Nederland.

3.3. De stelling van appellante dat zij - anders dan de werkgevers op wie de onder 3.2 genoemde uitspraken betrekking hadden - te goeder trouw is geweest, in die zin dat zij de betrokkenen wel degelijk om identiteitspapieren heeft gevraagd en daarvan afschriften heeft bewaard, terwijl zij de valsheid van die documenten redelijkerwijs niet heeft kunnen onderkennen, treft evenmin doel. Ook indien appellante naar beste vermogen haar wettelijke verplichting is nagekomen om de identiteit van haar werknemers vast te stellen, volgt daaruit nog niet dat degenen die haar bij die vaststelling om de tuin hebben geleid zonder vereiste verblijfstitel in Nederland verbleven. Evenmin kan goede trouw aan de zijde de werkgever leiden tot een verschuiving van de onder 3.2 omschreven bewijslast in de richting van het Uwv. Die goede trouw doet immers niets af aan het vertrouwen dat het Uwv mag stellen in de aanmelding door de werkgever of aan de aard van de problemen die rijzen indien de werkgever na verloop van tijd premies terugverlangt voor arbeidskrachten van wie de identiteit en daarmee de verblijfspositie onzeker is.

3.4. Anders dan appellante meent, is voorts niet doorslaggevend of het Uwv heeft gehandeld overeenkomstig zijn beleid met betrekking tot de verificatie van de verblijfsstatus en het zogenoemde sofi- of burgerservicenummer in de gemeentelijke basisadministratie (GBA). Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit beleid niet afdoet aan de primair op de werkgever rustende verplichting om de verblijfspositie van zijn arbeidskrachten vast te stellen. Gegeven de valsheid van de overgelegde identiteitspapieren en de onbekendheid van de werkelijke persoonsgegevens van de betrokkenen, is het nut van verificatie ook slechts betrekkelijk. Onder deze omstandigheden is niet in te zien dat de gestelde nalatigheid van het Uwv - wat daarvan verder zij - in zodanige mate aan de bewijsnood van appellante heeft bijgedragen dat om die reden tot premierestitutie zou moeten worden overgegaan.

3.5. De omstandigheid dat geen tewerkstellingsvergunningen zijn aangevraagd en verkregen - hetgeen op grond van de overgelegde papieren niet nodig leek - doet aan het vorenstaande niet af en leidt ook overigens niet tot het oordeel dat de betrokkenen niet als (verzekerde) werknemers kunnen worden aangemerkt. Nu de werkelijke identiteit van de betrokkenen niet is komen vast te staan, kan ook niet worden vastgesteld of voor hen rechtens een tewerkstellingsvergunning was vereist.

3.6. Wat betreft de weigering van het Uwv om over de te restitueren premies voor El K. wettelijke rente te vergoeden, stelt de Raad voorop dat de besluiten tot heffing van de premies in rechte onaantastbaar zijn geworden. Inmiddels heeft het Uwv de onjuistheid van deze besluiten erkend, op de grond dat alsnog is gebleken dat El K. illegaal hier te lande verbleef. Het betreft hier evenwel een omstandigheid die volledig aan appellante dient te worden toegerekend. Zij heeft geen gebruik gemaakt van de voor haar tegen deze besluiten openstaande rechtsmiddelen. Bovendien was de onjuistheid van de oorspronkelijk verstrekte gegevens in haar risicosfeer gelegen. Het Uwv mocht destijds uitgaan van de juistheid van de door appellante gedane opgave, welke inhield dat El K. verzekeringsplichtig was voor de werknemersverzekeringen. Toen uit het inleidend verzoek van appellante van 23 november 2006 was gebleken dat El K. bij nader inzien niet onder de verzekeringsplicht viel, heeft het Uwv tijdig - reeds binnen drie weken - beslist om de voor El K. afgedragen premies op de voet van artikel 11, vierde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen aan appellante terug te betalen. Bij het nemen van die beslissing was er dan ook geen grond voor het vergoeden van wettelijke rente.

3.7. De Raad concludeert dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.L.G. Boot.

SG