Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8988

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
29-03-2010
Zaaknummer
08/7182 WW + 08/7183 WW + 08/7194 ZW + 08/7195 ZW + 08/7188 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering en ZW-uitkering. Het Uwv heeft aannemelijk gemaakt dat appellante niet daadwerkelijk gedurende de periodes werkzaam is geweest is in dienst van de uitzendbureaus. Hetgeen door en namens appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De aanvraag om een WIA-uitkering heeft het Uwv ten onrecht niet in behandeling genomen, in plaats van af te wijzen: De Raad voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7182 WW

08/7183 WW

08/7194 ZW

08/7195 ZW

08/7188 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen drie uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2008, 08/3577 en 08/3578, 08/3580 en 08/3582 en 08/3583 (hierna: de aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met andere zaken, plaatsgevonden op 11 februari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Witte. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.G. Hermans en C. Schravesande. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. Hij volstaat hier met de volgende - korte - samenvatting.

1.2. Op basis van onderzoeksbevindingen van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) en van eigen onderzoeksbevindingen in het kader van het project “Schijn bedriegt” heeft het Uwv bij besluiten van 22 en 27 juni 2007 de eerder aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW), die zij van 23 mei 2005 tot en met 21 november 2005 ontving, met terugwerkende kracht ingetrokken en de over deze periode betaalde WW-uitkering tot een bedrag van € 9.512,36 van haar teruggevorderd. Voorts heeft het Uwv bij besluiten van 15 en 17 augustus 2007 de eerder aan appellante toegekende uitkeringen ingevolge de Ziektewet (hierna: ZW), die zij van 19 april 2004 tot en met 11 juli 2004 en van 22 november 2005 tot en met 5 augustus 2007 ontving, met ingang van 19 april 2004 respectievelijk 22 november 2005 ingetrokken en de over deze perioden betaalde ZW-uitkering ten bedrage van € 44.208,76 van appellante teruggevorderd. Ten slotte heeft het Uwv bij besluit van 16 augustus 2007 aan appellante meegedeeld dat haar verzoek om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) niet verder in behandeling zal worden genomen.

1.3. Bij afzonderlijke besluiten van 19 maart 2008 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen voornoemde besluiten van 22 en 27 juni 2007 en 15, 16 en 17 augustus 2007 ongegrond verklaard onder de overweging dat appellante gedurende de periode van 4 oktober 2004 tot en met 22 mei 2005 geen werkzaamheden in dienst van [uitzendbureau 1] dan wel [uitzendbureau 2] heeft verricht en niet verzekerd was voor de sociale verzekeringswetten.

2. De rechtbank heeft de beroepen van appellante tegen de besluiten van 19 maart 2008 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij in de perioden van 26 januari 2004 tot en met 19 april 2004 en van 4 oktober 2004 tot en met 22 mei 2005 daadwerkelijk arbeid in dienst van [uitzendbureau 1] dan wel [uitzendbureau 2] heeft verricht en is zij ten onrechte als werknemer voor de sociale verzekeringswetten aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv daarom terecht de WW-uitkering en de ZW-uitkering van appellante ingetrokken en de ten onrechte uitgekeerde bedragen teruggevorderd. De WIA-aanvraag is naar het oordeel van de rechtbank terecht niet in behandeling genomen.

3. Appellante heeft deze oordelen in hoger beroep bestreden. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat niet zij hoeft aan te tonen dat zij in de desbetreffende perioden arbeid heeft verricht in dienst van [uitzendbureau 2] dan wel [uitzendbureau 1] bij het tuiniersbedrijf [inlener 1] te [vestigingsplaats], maar dat de bewijslast voor het tegendeel bij het Uwv ligt. Tevens heeft appellante gewezen op de door haar in eerste aanleg overgelegde verklaringen van [S.], [B.] en [K.].

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen als hier aan de orde gaat om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het in een geval als het onderhavige aan het Uwv is om de feiten aan te dragen aan de hand waarvan het aannemelijk is dat er in de relevante periode geen sprake was van een dienstbetrekking met [uitzendbureau 2] of [uitzendbureau 1].

4.2. Bij de vaststelling van de feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een dienstbetrekking, komt in beginsel een groot gewicht toe aan processen-verbaal waarin bevindingen van opsporingsambtenaren zijn opgenomen over in de administraties van die uitzendbureaus en van de inlener aangetroffen bescheiden en (transscripties van) telefoontaps. Hetzelfde geldt op grond van vaste rechtspraak van de Raad ook voor eerste verklaring(en) die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd en ondertekend. Aan dergelijke verklaringen worden de betrokkenen in beginsel gehouden. Daarentegen komt, gelet op de daarmee voor betrokkenen gemoeide belangen, weinig gewicht toe aan niet-verifieerbare gegevens en achteraf afgelegde verklaringen, afkomstig van leidinggevenden van genoemde uitzendbureaus en van diegenen die in de administratie van genoemde uitzendbureaus waren opgenomen en eveneens met intrekking en terugvordering van sociale zekerheids-uitkeringen dan wel, in verband daarmee, met strafrechtelijke vervolging zijn geconfronteerd.

Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat de betrokkene ten tijde van belang geen dienstbetrekking als hier bedoeld vervulde, dan ligt het op de weg van betrokkene de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

4.3. De onderzoeksbevindingen van het SIOD laten er geen twijfel over bestaan dat er bij onder de [naam B.V.] ressorterende uitzendbureaus sprake is geweest van gefingeerde dienstverbanden, met name ook ten aanzien van Turkse vrouwen die bij het Uwv waren aangemeld als uitzendkrachten werkzaam bij inlener [inlener] te [vestigingsplaats].

4.4. Met betrekking tot appellante heeft de Raad het volgende vastgesteld. Blijkens het proces-verbaal van het op 8 mei 2007 gehouden verhoor heeft appellante verklaard dat zij in de 11 maanden die zij voltijds voor [uitzendbureau 2] en [uitzendbureau 1] gewerkt heeft, uitsluitend aan [inlener] uitgeleend is en werkzaam is geweest “in de tomaten”. Desgevraagd heeft appellante verklaard dat zij bladeren plukte van de tomatenplanten, werd opgehaald en thuisgebracht door een busje van [uitzendbureau 1], soms werd gebracht door haar toenmalige echtgenoot, zij geen namen van de chauffeurs kende, noch van collega’s, er wel vrouwen op de tuin werkten maar dat zij vaak de enige Turkse vrouw was. De betaling werd wekelijks contant gedaan maar zij wist niet hoeveel dit was.

Deze verklaring is in strijd met een aantal andere feiten en verklaringen uit de door de SIOD ter beschikking gestelde processen-verbaal. Evenals de rechtbank acht de Raad geloofwaardig de verklaring die [B.], administratief medewerkster bij [uitzendbureau 2], tijdens haar tweede verhoor op 16 augustus 2006 heeft afgelegd. Zij heeft onder meer verklaard dat er in 2005 voor [uitzendbureau 2] geen (Turkse) vrouwen bij [inlener] hebben gewerkt. Voorts heeft zij verklaard ten aanzien van de namen van de vrouwen op de zogeheten witte lijsten, waarop in week 19 (mei) 2005 de naam van appellante voorkomt, dat deze vrouwen er valselijk op staan vermeld. Ook uit de verklaring van de bedrijfsleider van [inlener] te [vestigingsplaats], [v/d E.], blijkt dat appellante in ieder geval in 2005 niet ‘in de tomaten’ bij [inlener] heeft gewerkt. Met de rechtbank acht de Raad voorts voldoende aannemelijk, dat er in de van belang zijnde perioden geen personeel van [uitzendbureau 1] bij [inlener] ‘in de tomaten’ heeft gewerkt, aangezien voor die werkzaamheden nu juist [uitzendbureau 2] in het leven was geroepen.

4.5. In het licht van hetgeen onder 4.1 tot en met en 4.4 is overwogen en vastgesteld, in onderling verband en samenhang bezien met de overige beschikbare onderzoeksgegevens, is de Raad van oordeel dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante niet daadwerkelijk gedurende de periode van 4 oktober 2004 tot en met 22 mei 2005 werkzaam is geweest is in dienst van [uitzendbureau 2] dan wel [uitzendbureau 1] bij [inlener] te [vestigingsplaats]. Hetzelfde heeft naar het oordeel van de Raad te gelden voor de periode van 26 januari 2004 tot en met 19 april 2004.

4.6. Hetgeen door en namens appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Met betrekking tot de door de gemachtigde van appellante in hoger beroep opnieuw aangehaalde schriftelijke verklaringen volstaat de Raad ermee te verwijzen naar hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft vastgesteld en overwogen. De Raad onderschrijft dit oordeel en merkt op dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de conclusies, waarop het Uwv zijn bestreden besluiten heeft gebaseerd, onjuist zijn.

4.7. Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat appellante ten tijde hier van belang ten onrechte als werknemer voor de sociale verzekeringswetten is aangemerkt, en daarom geen recht had op de WW-, ZW- en WIA-uitkeringen. Dit leidt ertoe dat de Raad het oordeel van de rechtbank onderschrijft dat het Uwv terecht haar WW-uitkering en ZW-uitkering heeft ingetrokken en de ten onrechte uitgekeerde bedragen van haar heeft teruggevorderd.

4.8. Het hoger beroep in de WW- en ZW-zaken slaagt derhalve niet en de daarop betrekking hebbende aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

4.9. Met betrekking tot de aanvraag om een WIA-uitkering stelt de Raad vast dat, zoals door het Uwv ter zitting is erkend, het Uwv deze aanvraag ten onrechte niet in behandeling heeft genomen, in plaats van de aanvraag af te wijzen. Het desbetreffende besluit van 19 maart 2008 komt dan ook voor vernietiging in aanmerking evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zelf in de zaak voorzien en de aanvraag van 29 juli 2007 afwijzen omdat appellante geen werknemer was in de zin van de WIA.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand van appellante in de WIA-zaak zowel in bezwaar als in beroep tot een bedrag van € 322,-- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken inzake de WW- en de ZW-uitkeringen van appellante;

Vernietigt de aangevallen uitspraak inzake de WIA-aanvraag van appellante;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 maart 2008 inzake de WIA-aanvraag van appellante gegrond en vernietigt dat besluit;

Wijst de aanvraag om een WIA-uitkering van 29 juli 2007 af;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.288,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2010.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

BvW