Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8985

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
08-2695 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking nabestaandenuitkering. Gezamenlijke huishouding. Appellant en betrokkene hadden vanaf januari 2001 hun hoofdverblijf in de woning van appellant. De Raad heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van de door appellant ten overstaan van de sociale recherche afgelegde en door hem ondertekende verklaring. Ook is voldaan aan het criterium van wederwijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2695 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 maart 2008, 07/4459 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 16 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Wessing te Nijmegen hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2010. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert 1 mei 1995 een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen en Wezenwet, welk pensioen per 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).

1.2. Naar aanleiding van een bij de Svb binnengekomen fraudemelding van de gemeente Nijmegen dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met G.M. [A.] ( hierna: [A.]) heeft de sociale recherche van de Svb een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader is administratief onderzoek verricht en is appellant verhoord. Tevens is met toestemming van de officier van justitie gebruik gemaakt van de bevindingen van een onderzoek door de sociale recherche van de gemeente Nijmegen naar de woon- en leefsituatie van [A.]. In het kader van dat onderzoek zijn inlichtingen ingewonnen bij diverse instanties, is [A.] verhoord en zijn enkele getuigen gehoord.

1.3. Op basis van de bevindingen van deze onderzoeken, die zijn neergelegd in een proces-verbaal van 11 april 2007 en een rapport van 27 maart 2007, heeft de Svb bij besluit van 10 april 2007 de nabestaandenuitkering van appellant per 31 januari 2001 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant vanaf 1 januari 2001 een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met [A.].

1.4. Het tegen het besluit van 10 april 2007 gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 september 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 13 september 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van de onderlinge relatie niet van belang.

4.3. Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet naar vaste rechtspraak worden beoordeeld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant en [A.] ten tijde in geding stonden ingeschreven op verschillende adressen. Aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning kan evenwel ook zijn voldaan indien ondanks het aanhouden van afzonderlijke woonruimte toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwoning moet worden gesproken.

4.4. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de gedingstukken een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van de Svb dat appellant en [A.] vanaf januari 2001 hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellant. De Raad heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van de door appellant ten overstaan van de sociale recherche afgelegde en door hem ondertekende verklaring. De Raad merkt daarbij op dat de verklaring van appellant steun vindt in de overige onderzoeksresultaten waaronder de verklaring van [A.] en de verklaringen van de getuigen. Aan de stelling van appellant dat zijn verklaring en die van [A.] alleen zien op de situatie vanaf 1 februari 2005 gaat de Raad voorbij nu beiden ook uitdrukkelijk hebben verklaard dat zij vanaf januari 2001op het adres van appellant samenwonen. Dat de verklaringen van de getuigen niet onder ede zijn afgenomen betekent naar het oordeel van de Raad niet dat aan die verklaringen voorbij moet worden gegaan.

4.5. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate is gebleken kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, is bepalend voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

4.6. Naar het oordeel van de Raad is ook aan het tweede criterium voldaan. Ook in dit verband komt zwaarwegende betekenis toe aan de hiervoor genoemde verklaring van appellant. Zo heeft appellant onder meer verklaard dat hij en [A.] samen eten, boodschappen doen en op vakantie gaan. Voorts heeft hij verklaard dat hij meestal kookt en dat ze samen de was doen. Voorts gebruikt [A.] al enige jaren de auto van appellant.

4.7. Evenals de rechtbank komt de Raad tot de conclusie dat appellant ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerde met [A.]. Gelet op het bepaalde in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid in verbinding met artikel 34, eerste lid, onder b, van de Anw, heeft de Svb de nabestaandenuitkering van appellant derhalve terecht per 31 januari 2001 ingetrokken.

4.8. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw, op grond waarvan de Svb geheel of gedeeltelijk van intrekking kon afzien, is de Raad niet gebleken.

4.9. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2010.

(get.) A.B.J. vam der Ham.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

SG