Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8931

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
09-1982 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uikering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest. Uitgaande van de juistheid van de FML van 22 januari 2008 is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in de bovengenoemde rapportage, aangevuld met de rapportage van 8 januari 2009 genoegzaam heeft gemotiveerd waarom de belasting in de functies geen overschrijding oplevert van de belastbaarheid van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1982 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 maart 2009, 08/1628 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Bakker, werkzaam bij SRK Rechtbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2010. Voor appellant is verschenen mr. Bakker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.Z. Groenenberg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als chauffeur beroepsgoederenvervoer toen hij in juni 1992 is uitgevallen wegens rugklachten. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd, die destijds 52 weken bedroeg, heeft het Uwv appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Appellant is vervolgens in het kader van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 2004 herbeoordeeld, in welk verband hij op 10 mei 2007 is onderzocht door de verzekeringsarts Chr.A.M. Zwiers-Jonker. Deze verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellant in staat is arbeid te verrichten die in overeenstemming is met zijn beperkingen, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 mei 2007. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige S. Wiersma op 15 augustus 2007 een rapport uitgebracht. In dit rapport is hij tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt kan worden geacht voor functies die vanuit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) zijn verkregen. Op basis van drie van deze functies heeft de arbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 36,43%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 17 augustus 2007 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 18 oktober 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.3. Bij besluit van 20 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en bepaald dat de WAO-uitkering met ingang van 18 oktober 2007 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Hieraan ten grondslag liggen rapportages van de bezwaarverzekeringsarts

M.E.J. van Hooff van 22 januari 2008 en de bezwaararbeidsdeskundige J. Kalthof van 18 februari 2008.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen. Aangezien een afdoende arbeidskundige onderbouwing door het Uwv eerst in beroep was geleverd, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand gelaten.

3. In hoger beroep heeft appellant – onder verwijzing naar de gronden in beroep – zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een zenuwbeschadiging die gepaard gaat met veel pijn die chronisch is geworden. Deze chronische pijn veroorzaakt energieverlies waardoor een urenbeperking had moeten worden aangenomen. Tevens heeft appellant aangevoerd dat hij niet voldoet aan de opleidingseis van de functie van loketbediende, nu hij niet beschikt over Duits op VMBO-niveau.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest. Daarbij tekent de Raad aan dat bezwaarverzekeringsarts Van Hooff appellant op het spreekuur van 4 december 2007 lichamelijk heeft onderzocht en bij de beoordeling onder meer de beschikking had over de medische informatie van de neuroloog D.J. Scholten van 8 januari 2008 en de orthopedisch chirurg J.A. de Lint van 17 januari 2008. Mede op grond van deze informatie heeft Van Hooff de door de verzekeringsarts vastgestelde FML gewijzigd en een nieuwe FML van 22 januari 2008 opgesteld. Hierin is appellant aanvullend beperkt geacht ten aanzien van de aspecten schroefbewegingen met hand en arm, lopen tijdens het werk, hoofdbewegingen maken en het hoofd in een bepaalde stand houden tijdens het werk. In de onder 1.3 genoemde rapportage heeft de bezwaarverzekeringsarts, naar het oordeel van de Raad, voorts afdoende gemotiveerd waarom voor het stellen van een urenbeperking geen aanleiding bestaat. Er is geen sprake van een voorgeschreven behandeling die maakt dat appellant een substantieel deel van de dag niet beschikbaar is voor arbeid. Ook is geen sprake van energetische beperkingen of van een preventieve beperking. Volgens Van Hooff dient appellant gelet op de huidige inzichten juist zoveel mogelijk geactiveerd te worden, waarbij een urenbeperking antirevaliderend werkt. Nu in beroep en hoger beroep geen nadere medische informatie is overgelegd ter onderbouwing van het standpunt dat een urenbeperking is geïndiceerd, dan wel dat sprake zou zijn van verdergaande beperkingen dan in de FML zijn vastgelegd, ziet de Raad, met de rechtbank, geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts.

4.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad als volgt.

4.4. De Raad stelt vast dat de schatting – zoals blijkt uit de rapportage van 18 februari 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige Kalthof – uiteindelijk berust op de functies informant busvervoer (sbc-code 316011), parkeerwachter parkeergarage (sbc-code 342022) en kassamedewerker theater of bioscoop (sbc-code 317030). Kalthof heeft deze functies met inachtneming van de gewijzigde FML van 22 januari 2008 beoordeeld en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 55 tot 65%. Uitgaande van de juistheid van de FML van 22 januari 2008 is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in de bovengenoemde rapportage, aangevuld met de rapportage van 8 januari 2009 genoegzaam heeft gemotiveerd waarom de belasting in de functies geen overschrijding oplevert van de belastbaarheid van appellant.

4.5. Met betrekking tot de stelling van appellant dat hij niet geschikt is voor de functie van informant busvervoer nu hij niet beschikt over Duits op VMBO-niveau heeft de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 13 november 2009 overwogen dat bij deze functie een VMBO-niveau wordt gevraagd, waarbij sprake is van een opleidingsniveau 2. De omstandigheid dat appellant 5 jaar een Mavo-opleiding heeft gevolgd maar deze opleiding niet heeft afgesloten met een diploma, houdt volgens Kalthof niet in dat hij niet beschikt over het voor de desbetreffende functie vereiste VMBO-niveau. Appellant heeft in de door hem gevolgde volledige Mavo-opleiding immers ten minste een jaar onderwijs gekregen in onder meer Engels en Duits, waardoor hij derhalve beschikt over enige taalvaardigheid in deze talen. In de functie van informant busvervoer wordt geen eis gesteld dat het VMBO-diploma met Engels en Duits in het vakkenpakket, moet zijn behaald. Tevens zijn geen eisen gesteld aan het niveau van de taalvaardigheid in deze vakken. Nu appellant, gelet op zijn arbeidsverleden, meerdere jaren heeft gewerkt als internationaal vrachtwagenchauffeur, waardoor hij beschikt over enige ervaring met het communiceren met anderen in het buitenland in een andere taal dan de Nederlandse, is het vereiste opleidingsniveau in de functie van informant busvervoer in overeenstemming met de bekwaamheden van appellant, aldus de bezwaararbeidsdeskundige. De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding de bevindingen van de bezwaararbeidsdeskundige voor onjuist te houden, waarbij nog wordt opgemerkt dat de gemachtigde van appellant tijdens de zitting niet heeft betwist dat appellant inderdaad enkele jaren als internationaal chauffeur heeft gewerkt.

5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden de WAO-uitkering van appellant met ingang van 18 oktober 2007 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM