Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8878

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
29-03-2010
Zaaknummer
08-6646 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht (meer) op een ZW-uitkering. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts Wolter en de bezwaarverzekeringsarts Heijltjes in het kader van de beoordeling van appellants aanspraken op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellant op de datum in geding geschikt is voor tenminste één van de in het kader van de Wet WIA geduide functies (wikkelaar of parkeercontroleur). Dat appellant zijn klachten anders ervaart kan, wat daarvan ook zij, niet leiden tot het aanvaarden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. Met betrekking tot de verwijzing van appellant naar de door hem in hoger beroep overgelegde informatie betreffende zijn WSW-indicatie overweegt de Raad dat daarin geen medische onderbouwing kan worden gevonden voor de beperkingen die in de daarbij behorende FML zijn opgenomen. Reeds daarom kan de Raad niet tot de conclusie komen dat de beperkingen in het kader van de beoordeling van appellants aanspraken op grond van de ZW niet op juiste wijze zijn vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6646 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 oktober 2008, 08/625 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Schoonbrood, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij een rapportage van bezwaarverzekeringsarts J.W. Heijltjes is overgelegd.

Appellant heeft een aanvullend stuk ingezonden, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schoonbrood. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. van Haaften.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als aankomend dakdekker, is op 17 mei 2004 uitgevallen met rugklachten. Nadien heeft appellant tevens gewrichtsklachten aan zijn handen en voeten gekregen. Bij het einde van de wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op minder dan 35%. Hierbij is overwogen dat appellant met inachtneming van de voor hem gestelde beperkingen, die zijn weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), geschikt werd geacht voor de geduide functies. In zijn uitspraak van 17 april 2009, LJN BI2618, heeft de Raad -in verband met de eerst in hoger beroep gegeven toereikende arbeidskundige toelichting- onder meer geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het besluit tot weigering van de WIA-uitkering in stand kunnen blijven.

1.2. Op 12 maart 2007 heeft appellant zich, vanuit de situatie dat hij een WW-uitkering ontving, opnieuw ziek gemeld in verband met pijn op de borst en oude klachten. Appellant is een aantal keren gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts N.J.G.B. Wolter. Op het spreekuur van 22 februari 2008 heeft deze verzekeringsarts, na eigen onderzoek en met verkregen informatie van de orthopedisch chirurg P.B.J. Tilman, appellant per 10 maart 2008 geschikt geacht voor de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 4 maart 2008 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 10 maart 2008 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.3. Bij besluit van 25 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Heijltjes, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 maart 2008 ongegrond verklaard. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van dossierstudie en eigen onderzoek geconcludeerd dat er geen objectieve medische argumenten naar voren zijn gekomen om het advies van de verzekeringsarts te herzien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit op een zorgvuldige medische beoordeling berust en dat niet is gebleken dat er aanwijzingen zijn om tot het oordeel te komen dat appellant op de datum in geding zodanige objectiveerbare beperkingen had, voortvloeiend uit ziekte of gebrek, dat hij zijn arbeid niet kon of mocht verrichten. Volgens de rechtbank heeft het Uwv appellant dan ook terecht met ingang van 10 maart 2008 weer in staat geacht zijn arbeid te verrichten en is het recht op ziekengeld per die datum terecht beëindigd.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn medische beperkingen niet zijn verbeterd ten opzichte van de acceptatie van zijn ziekmelding op 12 maart 2007 en dat ten onrechte geen arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden naar zijn geschiktheid voor de geduide functies. Voorts heeft hij gesteld dat het Uwv ten onrechte geen beoordeling in het kader van de Wet Amber heeft verricht en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn WSW-indicatie.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2. De Raad stelt voorop dat gelet op zijn voormelde uitspraak van 17 april 2009, 08/47 WIA in dit geding van de juistheid van de destijds vastgestelde belastbaarheid van appellant, zoals door de verzekeringsarts aangegeven in de FML van 10 oktober 2006, alsmede van de destijds vastgestelde geschiktheid van appellant voor de in dat kader geselecteerde functies dient te worden uitgegaan.

4.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts Wolter en de bezwaarverzekeringsarts Heijltjes in het kader van de beoordeling van appellants aanspraken op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellant op de datum in geding geschikt is voor tenminste één van de in het kader van de Wet WIA geduide functies (wikkelaar of parkeercontroleur). Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. De Raad volgt dan ook het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts Heijltjes, zoals nader toegelicht in zijn rapportage van 12 januari 2009, waaruit blijkt dat de nevendiagnose jicht in het afgelopen jaar geen reden heeft gegeven voor een bijstelling van de beperkingen en dat evenmin objectieve medische gegevens zijn overgelegd die aanleiding zouden kunnen geven om de FML per datum in geding aan te passen. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat hij geen enkele adequate onderbouwing heeft aangetroffen om appellant per datum in geding in het persoonlijk en sociaal functioneren als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek beperkt te achten. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportages voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellant vanaf 10 maart 2008 in staat wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Dat appellant zijn klachten anders ervaart kan, wat daarvan ook zij, niet leiden tot het aanvaarden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek.

4.4. Met betrekking tot de verwijzing van appellant naar de door hem in hoger beroep overgelegde informatie betreffende zijn WSW-indicatie overweegt de Raad dat daarin geen medische onderbouwing kan worden gevonden voor de beperkingen die in de daarbij behorende FML zijn opgenomen. Reeds daarom kan de Raad niet tot de conclusie komen dat de beperkingen in het kader van de beoordeling van appellants aanspraken op grond van de ZW niet op juiste wijze zijn vastgesteld.

4.5. Wat betreft de door appellant aangevoerde grond met betrekking tot een beoordeling in het kader van de Wet Amber verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 6 augustus 2002, LJN AE7220, waarin hij heeft overwogen dat in de beoordeling van aanspraken op grond van de ZW geen beoordeling in het kader van de Wet Amber kan worden betrokken.

4.6. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR