Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8867

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
29-03-2010
Zaaknummer
08-5062 WIA + 09-1903 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt.2) Toekenning WGA-uitkering. 35 tot 80% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft appellant bij besluit 2 tevens in kennis gesteld dat zijn verdiensten van € 911,56 in mindering worden gebracht op zijn maandloon. De Raad stelt vast dat besluit 2, dat het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen, niet geheel tegemoet komt aan het beroep van appellant. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt het beroep van appellant tegen besluit 1 geacht mede gericht te zijn tegen besluit 2 en om die reden in de beoordeling van de Raad betrokken. De Raad ziet geen aanleiding over de medische grondslag van besluit 1 een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad is van oordeel dat de beperkingen van appellant door middel van een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. Het Uwv heeft bij besluit 2 uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het Uwv heeft naar het oordeel van de Raad bij rapport van 5 augustus 2008 en 24 maart 2009, van de bezwaararbeidsdeskundige Hogeveen afdoende toegelicht dat de aan de schatting thans ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, in medisch opzicht passend zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5062 WIA + 09/1903 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 juli 2008, 07/8938 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld en een stuk ingezonden.

Bij de Raad is op 2 april 2009 ingekomen een gewijzigd besluit op bezwaar van het Uwv van 22 augustus 2008.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2010. Appellant is - met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als tuinbouwmedewerker en ontving een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Op 7 september 2005 heeft hij zich ziek gemeld met hoofdpijn en nek- en schouderklachten.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 2 juli 2007, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 24 oktober 2007 (hierna: besluit 1), vastgesteld dat er voor appellant ingaande 5 september 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 35%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en aan het Uwv opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft voorts beslissingen gegeven over de vergoeding van de proceskosten en betaling van het griffierecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de medische grondslag van besluit 1 deugdelijk en juist is. Over de arbeidskundige grondslag van de schatting heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv niet inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de functie inpakker op het item reiken passend is voor appellant. Deze functie kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gehandhaafd worden voor de schatting, waardoor er te weinig functies resteren om die te dragen.

3.1. Appellant bestrijdt in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat besluit 1 op een deugdelijke medische grondslag rust. Appellant heeft daartoe gesteld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat geen medische informatie is ingewonnen bij de behandelend sector. Onder verwijzing naar een verklaring van psychiater F. Sevinç van 24 juni 2008 heeft appellant voorts gesteld dat hij bekend is met een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en een depressie, en dat de daaruit voortvloeiende beperkingen onvoldoende tot uitdrukking zijn gebracht in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Appellant stelt zich op het standpunt dat ook beperkingen aangenomen zouden moeten worden ten aanzien van concentratie, herinneren, handelingstempo en persoonlijk risico.

3.2. Het Uwv heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een gewijzigd besluit op bezwaar van 22 augustus 2008 (hierna: besluit 2) genomen. Bij dit besluit is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 juli 2007 gegrond verklaard en heeft het Uwv appellant ingaande 5 september 2007 in aanmerking gebracht voor een WGA-uitkering, omdat appellant voor 35 tot 80% arbeidsongeschikt is. Blijkens het aan dat besluit ten grondslag liggende rapport, gedateerd 5 augustus 2008 en 24 maart 2009, van de bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen is in de plaats van de functie inpakker de functie keukenhulp geduid. Het verlies aan verdiencapaciteit is door Hogeveen vastgesteld op 36,8%. Het Uwv heeft appellant bij besluit 2 tevens in kennis gesteld dat zijn verdiensten van € 911,56 in mindering worden gebracht op zijn maandloon.

3.3. Appellant heeft gesteld dat besluit 2 op een onjuiste medische en arbeidskundige grondslag rust. Appellant acht het onjuist dat zijn uitkering ingevolge de WW in mindering wordt gebracht op de WIA-uitkering.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat besluit 2, dat het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen, niet geheel tegemoet komt aan het beroep van appellant. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt het beroep van appellant tegen besluit 1 geacht mede gericht te zijn tegen besluit 2 en om die reden in de beoordeling van de Raad betrokken.

4.2. De Raad ziet geen aanleiding over de medische grondslag van besluit 1 een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad is van oordeel dat de beperkingen van appellant door middel van een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. Gelet op het duidelijke beeld dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts op basis van eigen onderzoek en na weging van reeds in het dossier aanwezige informatie van de behandelend neuroloog hadden van de beperkingen van appellant, acht de Raad het niet onzorgvuldig dat de verzekeringsartsen op hun eigen oordeel zijn afgaan en geen noodzaak hebben gezien de behandelend sector te raadplegen. De Raad onderschrijft voorts de overwegingen van de rechtbank over de belastbaarheid van appellant ten tijde in geding. Appellant heeft ook in hoger beroep geen objectieve medische gegevens overgelegd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat hij ten tijde van de datum in geding - op psychische gronden - meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen. Bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker heeft bij rapport van 17 oktober 2007 reeds uitvoerig gemotiveerd dat bij onderzoek van de psyche niet is gebleken van beperkingen. Ook uit de in hoger beroep in geding gebrachte verklaring van psychiater Sevinç van 24 juni 2008 blijkt niet dat appellant ten tijde in geding ten aanzien van de door hem in zijn hoger beroepschrift genoemde aspecten beperkt is.

4.3. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

4.4.1. Het Uwv heeft bij besluit 2 uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het Uwv heeft naar het oordeel van de Raad bij rapport van 5 augustus 2008 en 24 maart 2009, van de bezwaararbeidsdeskundige Hogeveen afdoende toegelicht dat de aan de schatting thans ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, in medisch opzicht passend zijn voor appellant.

4.4.2. De Raad verwerpt de grief van appellant over de hoogte van zijn toegekende WIA-uitkering. Het Uwv heeft bij schrijven van 5 november 2009 uiteengezet hoe de WW-uitkering is verwerkt in de betaling die op grond van de Wet WIA aan appellant wordt gedaan. Dat schrijven biedt een inzichtelijke onderbouwing voor die verrekening, welke onderbouwing van de zijde van appellant niet is weersproken.

4.5. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4.2 is overwogen moet de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, worden bevestigd. Het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2008 zal ongegrond worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) R.L. Rijnen.

KR