Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8866

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
08-3301 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen, op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en met verkregen informatie van de revalidatiearts heeft op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Met betrekking tot de door appellante genoemde rug- en voetklachten heeft de verzekeringsarts reeds beperkingen in de FML opgenomen. Geen onderschatting beperkingen. Geen verdergaande urenbeperking. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3301 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 april 2008, 07/6240 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Bonsen-Lemmers, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek van 14 augustus 2008 overgelegd.

Op de door appellante ingezonden brief van een neurochirurg, heeft het Uwv gereageerd met een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2010. Namens appellante is mr. Bonsen-Lemmers verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk via een uitzendbureau werkzaam als cateringmedewerkster voor 20 uur per week, is op 31 mei 2005 uitgevallen voor haar werkzaamheden in verband met rugklachten. Later zijn daar hand- en voetklachten bijgekomen.

1.2. Naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante op 20 maart 2007 onderzocht door de verzekeringsarts H.I. Chitoe-Samson, die heeft geconstateerd dat appellante als gevolg van rug- en voetklachten beperkingen heeft op het locomotore vlak. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 maart 2007. Hiervan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige G. Stor met gebruikmaking van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) drie functies en een reservefunctie geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op minder dan 35%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 12 april 2007 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 29 mei 2007 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA.

1.3. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en verkregen informatie van de revalidatiearts van appellante geen reden gezien om te concluderen dat de beperkingen door de primaire verzekeringsarts zijn onderschat of verder zouden moeten worden bijgesteld. De FML van 22 maart 2007 sluit volgens de bezwaarverzekeringsarts aan bij de gestelde diagnosen en het klinisch beeld. Onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 april 2007 bij besluit van 22 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat er onvoldoende grond is voor het oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen, zodat het Uwv deze aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten, omdat het bestreden besluit eerst in beroep door de bezwaararbeidsdeskundige van een juiste grondslag en een toereikende onderbouwing is voorzien. Daarbij heeft de rechtbank tevens een beslissing gegeven met betrekking tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het medisch oordeel dat aan de aangevallen uitspraak ten grondslag ligt niet juist is omdat haar beperkingen zijn onderschat, in welk verband zij heeft verwezen naar de overgelegde rapportage van haar ergotherapeute en naar de reeds in beroep overgelegde rapportage van bureau Hudson. Voorts is zij van mening dat de nadere motivering door de bezwaararbeidsdeskundige van de duiding van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies nog altijd onvoldoende is en dat zij niet in staat is de geduide functies te verrichten.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen, op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en met verkregen informatie van de revalidatiearts op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de door appellante genoemde rug- en voetklachten heeft de verzekeringsarts reeds beperkingen in de FML opgenomen. Volgens de Raad kan uit de voorhanden medische gegevens niet worden afgeleid dat de hieruit voortvloeiende beperkingen op de datum in geding, 29 mei 2007, zijn onderschat. In dat verband verwijst de Raad naar de verkregen informatie van de revalidatiearts van 8 augustus 2007, waaruit niet blijkt van een dubbele hernia en dat er voor de aanhoudende rugklachten geen aanwijzing was voor onderliggende neurologische problematiek. Met betrekking tot de handklachten heeft de bezwaarverzekeringsarts in reactie op de gegevens van de neurochirurg van 22 juni 2009, die een carpaal tunnelsyndroom heeft vastgesteld, in zijn rapportage van 25 november 2009 aangegeven dat bij eigen onderzoek op 13 juli 2007 en uit de verkregen informatie va de revalidatiearts niet is gebleken dat op de datum in geding sprake was van het later vastgestelde carpaal tunnelsyndroom. Wat betreft de door appellante genoemde oorklachten bestaat onduidelijkheid wanneer deze zijn ontstaan, terwijl daarvan evenmin melding is gemaakt bij het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts. Mitsdien kunnen ook deze niet geobjectiveerde klachten niet tot verdergaande beperkingen leiden. Voorts is de Raad van oordeel dat met de aangenomen urenbeperking van zes uur per dag in verband met de slechte nachtrust door de pijn en de rustbehoefte van appellante haar beperkingen in dit opzicht niet zijn onderschat. In de overgelegde rapportage van het bureau Hudson vindt de Raad geen steun om een verdergaande urenbeperking aan te nemen. Gelet op het vorenstaande ziet de Raad dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de in de FML neergelegde beperkingen. In de in hoger beroep door appellante overgelegde informatie ziet de Raad evenmin aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.

4.2. Wat betreft de arbeidskundige grondslag is de Raad van oordeel dat de (bezwaar)arbeidsdeskundigen in hun rapportages van 4 april 2007 en 21 november 2007 voldoende inzichtelijk en verifieerbaar hebben aangetoond dat de door hen geselecteerde functies administratief medewerker (beginnend) (sbc-code 315090), machinaal metaalbewerker (excl. bankwerk) (sbc-code 264122) en productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) voor appellante, gelet op haar medische beperkingen, geschikt zijn nu daarin alle signaleringen zijn toegelicht. De bedenkingen van appellante tegen de functie assistent consultatiebureau (sbc-code 372091) kunnen, wat daarvan ook zij, niet tot een ander oordeel leiden omdat deze reservefunctie niet aan de schatting ten grondslag is gelegd. Mitsdien heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in beroep van een voldoende motivering is voorzien en zijn de rechtsgevolgen terecht in stand gelaten.

4.3. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK